buy Fluoxetine walk comprehensive prozac order protected reform Buy prozac generic (STIs) ambulation Buy prozac online canada harmful hospice Buy cheap prozac officer promotion

Stedelijk Museum Amsterdam

Journal

buiten de deur april 18th, 2014

Salone Internazionale del Mobile 2014 in Milaan: de Italianen zijn terug!

De meubelbeurs in Milaan is weer voorbij. Er waren 1336 exposanten, meer dan 350.000 bezoekers uit ruim 160 landen en een stuk of 5000 journalisten in het door Massimiliano Fuksas ontworpen mega beurscomplex zelf. Daarnaast waren er in de stad, Fuori Salone (buiten de beurs), meer dan 600 presentaties; elke galerie, garage of leegstaand industrieel complex was in gebruik. Als je gezien wilt worden als ontwerper of merk, dan moet je erbij zijn en hopen dat jouw presentatie door de belangrijkste bezoekers in hun route wordt opgenomen. De Salone is in 1961 begonnen door een aantal Italiaanse fabrikanten die de export van hun producten wilden stimuleren en vanaf 1967 internationaal. Het is nu de grootste en belangrijkste meubelbeurs ter wereld. En door alle activiteiten eromheen het belangrijkste evenement op het gebied van vormgeving überhaupt.
Op de beurs zijn slechts enkele Nederlandse merken vertegenwoordigd: Artifort (dat er al sinds 1969 regelmatig bij is), Arco, Leolux en Eichholtz, dat meubels in allerlei stijlen en vormen verkoopt, maar voor liefhebbers van vormgeving niet van belang is.

01. Ontwerp van Hella Jongerius voor Vitra

Ontwerp van Hella Jongerius voor Vitra

De inbreng van Nederlandse ontwerpers is er behoorlijk groot: Hella Jongerius is art director van Vitra, Artek en Danskina; Marcel Wanders presenteerde nieuwe ontwerpen bij Gufram, Magis, Olivari en Very Wood; ook Ineke Hans (Magis) en Richard Hutten (Artifort) waren er vertegenwoordigd, om slechts enkelen te noemen.

Daarnaast zijn er bedrijven die in de stad hun presentatie hebben: onder meer Moooi, Linteloo, Lensvelt en Vescom, deels in hun permanente eigen showroom.

04. Een bezoeker kijkt geïntigreerd naar de installatie MOMENTum

Een bezoeker kijkt geïntrigreerd naar de installatie MOMENTum

03. Stand van Ledworks op de Salone Satellite

Stand van Ledwork op de Salone Satellite

02. Spiegel van Ineke Hans voor de Me Too kindercollectie van Magis

Spiegel van Ineke Hans voor de Me Too kindercollectie van Magis

Sinds 1998 wordt de Salone Satellite georganiseerd, een onderdeel van de beurs waar jonge ontwerpers en academies hun werk kunnen presenteren. Een commissie onder leiding van Marva Griffin bepaalt wie er maximaal drie keer een kleine stand mogen hebben. Velen hopen er fabrikanten te ontmoeten. Ik heb daar in voorgaande jaren voor het eerst werk gezien van onder meer Jens Fager, Arihiro Miyake en Osko & Deichmann, die inmiddels allemaal met producenten samenwerken. Dit jaar stond Ledwork er, een bedrijfje dat opgericht is door een aantal (oud-) studenten van de TU Delft. Ze ontwikkelden ledlampen die in allerlei configuraties aan elkaar geklikt kunnen worden en waarvan de kleurnuance kan worden gemanipuleerd. Ze deden er contacten op met potentiële kopers, distributeurs, tentoonstellingsmakers en ontwikkelaars. Nu natuurlijk afwachten wat eruit komt.
Het aantal productierijpe ontwerpen was behoorlijk hoog dit jaar, vaak minder vernieuwend dan het ontwerp van Ledwork, maar over het geheel genomen niet slecht: bijvoorbeeld opbergdozen van Meike Langer, een eenvoudig te produceren houten stoel van Kristian Knobloch, een manier om via capillaire werking porselein te kleuren van Ozan Alaca (Studio Colony), een serie waterlampen van Arturo Erbsman, een bureaulamp van de Australische Rebecca Crooke en een gevouwen bestek van de Belgische ontwerper Pascal Koch. Een van de meest interessante dingen op de Satellite dit jaar was MOMENTum, een installatie van het Japanse collectief Kappes, waarin waterdruppels met behulp van lucht in allerlei patronen worden gestuurd. Op de Satellite gaat het nooit alleen maar over meubels. Net als in de rest van de stad.

Van oudsher zijn vooral de presentaties in de stad vaak spraakmakend. In 1981 was de eerste tentoonstelling van de Memphis-groep onder leiding van Ettore Sottsass de talk of the town. Het postmodernisme in de vormgeving kreeg wereldwijd aandacht. Een paar jaar later had Bořek Šípek, de Tsjechische glas- en meubelontwerper die in Nederland woonde, een grote installatie in de Fabbrica del Vapore, een imposant fabriekscomplex. Recenter organiseerde Swarovski spectaculaire tentoonstellingen van door bekende ontwerpers gemaakte objecten waarin hun kristallen werden gebruikt. Swarovski houdt het al een paar jaar voor gezien, maar de Tsjechische glasfabrikant Lasvit organiseerde dit jaar iets vergelijkbaars met nieuwe lampen van bekende ontwerpers, onder wie Maarten Baas, Michael Young, Arik Levy en Daniel Libeskind.

05.Presentatie Moooi met onder meer lampen van Scholten & Baijings en foto van Massimo Listri

Presentatie Moooi met onder meer lampen van Scholten Baijings en foto van Massimo Listri

De presentatie vond plaats in de Zona Tortona, het gebied aan de zuidelijke rand van het centrum dat een jaar of vijftien geleden een belangrijke trekpleister werd. Het vernieuwende meubelmerk Cappellini was er lange tijd prominent aanwezig, maar is nu weer terug naar de beurs en in hun eigen showroom in het centrum. Moooi is er vanaf het begin van zijn bestaan vertegenwoordigd en heeft er inmiddels een vaste showroom, maar pakt sinds vorig jaar ook weer groot uit. Toen sprak iedereen over de presentatie van de collectie in combinatie met de grote foto’s van Erwin Olaf. Dit jaar werd er gewerkt met interieurfoto’s van Massimo Listri, ook goed, maar nu toch minder verrassend.
De Zona Tortona heeft concurrentie gekregen van andere gebieden in de stad en wordt steeds minder the place to be om vernieuwende vormgeving te zien. In Lambrate, ten noordoosten van het centrum, is sinds een aantal jaar een ander industrieel gebied in herontwikkeling. Het Nederlandse Organisation in Design van Margriet Vollenberg en Margo Konings is er sinds 2010 de drijvende kracht achter de Fuori Salone presentaties. Dit jaar toonde ontwerpbureau Concern uit Amsterdam er ‘Supermodels’: schaalmodellen van Nederlandse stoel- en woningontwerpen uit de afgelopen eeuw, alsmede een ‘poppenhuis’ met nieuwe ontwerpen van allerlei ontwerpers en bedrijven.

06. 3d geprinte schaalmodellen uit de Supermodels presentatie

3d geprinte schaalmodellen uit de Supermodels presentatie

07. Supermodels tentoonstelling van Concern

Supermodels tentoonstelling van Concern

Voor de Fuori Salone een vrij ongebruikelijk, deels historisch onderwerp. Het lijkt echter alsof Concern feilloos een nieuwe trend aanvoelde en deels misschien ook wel zette, want overal in de stad doken schaalmodellen op (bijvoorbeeld ook bij Lensvelt, Moooi en de beddengoedwinkel Society).

Het nieuwste Fuori Salone gebied ligt juist weer in het oude centrum: 5 Vie, dat dit jaar gelanceerd werd. Hier was ‘Baas is in town’ de grootste attractie.

08.Schaalmodellen van bedden in Society

Schaalmodellen van bedden in Society

Na jaren van afwezigheid maakte Maarten Baas een circusachtige presentatie met passende muziek, curieuze objecten als een kauwgomballenapparaat met pillen erin en echte clowns. Een bijzonder vrolijk gebeuren, voor Milaan nogal ongebruikelijk en daardoor des te opvallender.

09.Baas is in town

Baas is in town

De Nederlanders zijn in Milaan altijd bijzonder goed vertegenwoordigd, na de Italianen zijn ze het talrijkst, wat overigens niet alleen voor exposanten, maar ook voor bezoekers lijkt te gelden. Overal hoor je Nederlands praten.

11. Presentatie met ontwerpen van Patricia Urquiola voor Kartell

Presentatie met ontwerpen van Patricia Urquiola voor Kartell

10. Elements collectie van Scholten & Baijings voor J. Hill's Standard

Elements collectie van Scholten Baijings voor J. Hills Standard

Ontwerpers die voor allerlei verschillende bedrijven werken en dus overal opduiken, zijn naast eerder genoemde voorbeelden het Nederlandse duo Scholten & Baijings (J. Hill’s Standard glasfabriek, Verreum, Moustache, Hay), de Spaanse en in Italië wonende en werkende Patricia Urquiola, de eveneens Spaanse Jaime Hayon en het Japanse bureau Nendo van Oki Sato.

Ook oude rot Philippe Starck was weer alom aanwezig, onder andere met een groot aantal ontwerpen voor plastic buitenmeubelen bij het nieuwe bedrijf TOG, opgericht door de Braziliaanse industriële groep Grandene. Een grote winkel van TOG is gevestigd in een net geopend complex bij station Garibaldi, aan de noordkant van het centrum. Het plein waaraan het ligt is genoemd naar de prominente Italiaanse ontwerpster Gae Aulenti (1927-2012).
Het zag er lang naar uit dat de roem van de Italiaanse vormgeving vooral teerde op ontwerpers uit haar periode (de jaren vijftig tot negentig van de vorige eeuw), maar er is weer een nieuwe generatie opgestaan. Luca Nichetto (1976) is een van de jongere ontwerpers die echt doorgebroken is.

12. Installatie De Natura Fossilium van Formafantasma

Installatie De Natura Fossilium van Formafantasma

Je komt zijn werk overal tegen; hij ontwerpt zelfs voor een Russische keramiekproducent: Dymov Ceramics. En Formafantasma, de in Eindhoven gevestigde Andrea Trimarchi (1983) en Simone Farresin (1980), lijkt daar ook bij te gaan horen. In Palazzo Clerici, een van de vele prachtige paleizen in de stad, presenteerden ze het project ‘De Natura Fossilium’ dat is ontstaan naar aanleiding van de eruptie van de Etna in 2013, met onder meer textiel waarin basaltdraad is gebruikt. In het Design Museo in het Triennale gebouw werden ze al onder de ‘Nuovi Maestri’ geschaard. De Italianen zijn weer terug!

Ingeborg de Roode is Conservator industriële vormgeving.
Met dank aan Peter van Kester voor de informatie over de jaren ’80.

Foto’s : Ingeborg de Roode, Concern (schaalmodellen Supermodels)

Global Collaborations maart 28th, 2014

Thinking Globally

Op 13 tot en met 15 maart jongstleden vond het driedaagse symposium Collecting Geographies: Global Programming and Museums of Modern Art, plaats in het Stedelijk Museum en het Tropenmuseum in Amsterdam. Naast de 24 sessies waarin meer dan 80 internationale papers werden gepresenteerd, vonden er ook publieke lezingen en paneldiscussies plaats, waaronder Thinking Globally: Museums, Art and Ethnography after the Global Turn. Deelnemers aan de discussie waren de academici Jette Sandahl, James Clifford en Pamela M. Lee en de kunstenaars Wendelien van Oldenborgh en Kader Attia. De sessie werd gemodereerd door Leon Wainwright. Het Stedelijk vroeg twee jonge schrijvers om vanuit hun eigen perspectief verslag te doen van de avond.

De paneldiscussie vond plaats in het Tropenmuseum; een gepaste context volgens Anke Bangma, die de avond opende en conservator hedendaagse kunst en fotografie is in het Tropenmuseum, omdat het bevragen van de omstreden scheiding tussen respectievelijk kunst en cultuur enerzijds en het kunst- en volkenkundig museum anderzijds één van de speerpunten is van het symposium Collecting Geographies. De grootste uitdaging waarvoor het volkenkundig museum zich gesteld ziet, aldus Bangma, is het vinden van nieuwe representatievormen die recht doen aan een wereld gekenmerkt door steeds veranderende relaties tussen het verre en het nabije.

2014 Collecting Geographies SMA 177 adlibVoortbordurend op Bangma’s introductie stelde moderator Leon Wainwright, de centrale vraag: Wat betekent het om global te denken? Hij maakte hierbij de vergelijking met de Toren van Babel, een plaats waar iedereen weliswaar onderdeel is van hetzelfde systeem, maar elkaar niet per se begrijpt of verstaat. Wainwright nam de metafoor als uitgangspunt voor de verdere discussie waarbij hij ‘de kunstenaar’ een cruciale rol toebedeelde als het gaat om mogelijke manieren van vertaling en bemiddeling. Want, zo stelde hij, kunst kan hierin een belangrijke rol spelen.

_

Afbeelding 3 jette

Haitian Boukman Experyans on stage in the Horizon exhibition at the Museum of World Cultures

Directeur van het Københavns Museum Jette Sandahl bevestigde en beargumenteerde dit idee aan de hand van een aantal voorbeelden, waaronder tentoonstelling Horizons: voices from global Africa (2004) en Fred Wilson: Site Unseen: Dwellings of the Demons (2004) beiden in het Museum of World Cultures, Stockholm, en E TūAke: Standing Strong (2011) in Museum of New Zealand te Papa. Volgens Sandahl genereerden deze tentoonstellingen nieuwe benaderingen die meer dynamische opvattingen van cultuur, identiteit, historische zelfreflectie, het herschrijven van de geschiedenis en het blootleggen van koloniale categorieën bevorderden. Noties als interdisciplinariteit, intermedialiteit, fragmentatie, heterogeniteit, interactie en meerstemmigheid, vormden de drijvende kracht achter deze benaderingen. Tijdens het debat werd echter duidelijk dat Sandahls voorbeelden van good practice tegelijkertijd ook de problematiek van deze vorm van global programming zichtbaar maakten, namelijk de manier waarop kunstenaars soms geinstrumentaliseerd worden als bemiddelaars in deze netelige discussie. Tijdens het debat werd de inzet van de kunstenaar als kritische en reflexieve transformator van koloniale waardesystemen, met name in volkenkundige musea, stevig bekritiseerd, voornamelijk door de twee aanwezige kunstenaars Wendelien van Oldenborgh en Kader Attia.

_

Wendelien van Oldenborgh, La Javanaise, film production still (2012)

Wendelien van Oldenborgh, La Javanaise, film production still (2012)

In haar presentatie stelde Van Oldenborgh dat het herdefiniëren van het volkenkundige museum juist te veel zou zijn overgelaten aan kunstenaars, en suggereerde daarmee dat het museum zich haar verantwoordelijkheid ontloopt. [Volgens Sandahl is dit niet het geval. Volgens haar vindt het proces van transformatie plaats op vele verschillende niveaus en in samenwerking met verschillende personen en instituten.] Van Oldenborgh onderstreept de complexiteit van de netwerken en de vele verschillende verbindingen daar tusssen, in de kunstwereld als is de wereld daarbuiten. Vanuit dit perspectief problematiseerde ze de term global turn, het concept en de achterliggende ideeën. Volgens Van Oldenborgh is zowel terminologie als de daarmee bedoelde situatie, onderhevig aan constante verandering. Daarbij kan het ook niet zo zijn dat de global turn als startpunt fungeert van een nieuwe praktijk voor de toekomst, waarin geen aandacht wordt gegeven aan de (globale) geschiedenis als zodanig. Van Oldenborgh benadrukt dat er een hele wereld bestond voor de global turn, een wereld die een herwaardering verdient en tegelijk onontkoombaar doorwerkt in de hedendaagse praktijk, frames en netwerken – denk bijvoorbeeld aan het werk van o.a. Lina Bo Bardi in Brazilië, die in de geschiedschrijving nauwelijks een plaats heeft, maar wel een belangrijke invloed is op de hedendaagse beeldende kunst en architectuurpraktijk in Brazilië en daarbuiten. Met terugwerkende kracht kijken naar de geschiedenis is daarom van essentieel belang als het gaat om een juiste waardering van zowel de geschiedenis als de hedendaagse praxis. Dit geldt ook voor de (r)evaluatie van bestaande collecties.

_

Kader Attia’s “The Arch of Tazoult”, 2012

Ook Kader Attia stelde dat de samenwerking tussen hedendaagse kunstenaars en volkenkundige musea niet vanzelfsprekend is, omdat artistiek interventies in een systeem dat gefundeerd is op (de ideologie van) representatie zowel zeer problematisch als zeer complex is. Attia pleit in plaats daarvan voor een specifieke benadering: reappropriation, het opnieuw toe-eigenen (van objecten, plaatsen, verhalen, gebruiken etcetera) als manier om (machts)verhoudingen te herstellen. Elementen die zijn geclaimd, ingevoerd of achterlaten door de voormalig kolonisator dienen te worden gebruikt en (terug)veroverd door de voormalig gekoloniseerden, en daarmee voorzien van een nieuwe betekenis en waarde – los van de westerse versies. Teruggaan naar een zogenaamde ‘originele’ situatie van ‘er voor’ is namelijk onmogelijk. Attia baseert deze manier van werken op de ideeën van de Braziliaanse dichter Oswald de Andrade en zijn Cannibal Manifesto, waarin wordt gesteld dat het opnemen, toe-eigenen, herkauwen en verteren van andere culturen leidt tot een gezamenlijk nieuw geheel. Dit is in lijn met het idee van creolité – het samensmelten van historische en culturele wortels met de koloniale overheersing, leidend tot een nieuwe unieke eigentijdse situatie – dat eveneens door Attia werd aangehaald. Om zijn idee van reappropriation te illustreren, gebruikt hij het voorbeeld van een vervallen Romeinse ruïne in de buurt van zijn geboorteplaats in Algerije, die nu worden gebruikt door de lokale jongeren als voetbalveld. Een ander voorbeeld zijn de toe-eigening van Romeinse munten, in hun nieuwe context fungeren als onderdelen van juwelen en sieraden. Ook ging hij in op de manier waarop de westerse wereld inventies claimt, zoals bij muziekstromingen – waaronder jazz. Deze worden als specifiek westers aangeduid, maar komen voort uit een uitwisseling tussen vele verschillende achtergronden en zijn uiteindelijk hun eigen leven gaan leiden.

2014 Collecting Geographies SMA 189 adlib

Zowel Van Oldenborgh als Attia wezen op de tekortkomingen van termen als de global turn, global contemporary en global thinking. Maar waar zij kritisch stonden tegenover deze terminologie, verdedigde Pamela Lee juist het nut ervan: Volgens haar kunnen deze termen ons bewust maken van de ideologie van globalisering en de mythe van een ongedifferentieerde, open wereld. Ook James Clifford gaf een voorbeeld van een term die opereert op verschillende, complexe betekenisniveaus: indigenous, een sleutelbegrip in zijn boek Returns: Becoming Indigenous in the Twenty-First Century (2013). Zowel Lee als Clifford wezen erop dat dit soort terminologie tegelijkertijd een waarschuwing is voor een bepaalde ideologie als de ideologie zélf kan omvatten. Kritische waakzaamheid blijft daarom geboden.

Foto 1 en 5: Monique Kooijmans.

Video footage of the conference is available here.

Liza Swaving, MA is cultuurwetenschapper en voltooide de Master Museumconservator aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ze is Research Associate bij Rijksmuseum Volkenkunde, waar ze onderzoek doet naar de relatie tussen authenticiteit en het gebruik van bewegend beeld in de tentoonstellingen van het museum.

Vincent van Velsen is a freelance writer and researcher with a background in international business, architecture and art history. He frequently contributes to platforms such as Metropolis M, Volume, Tubelight and Archined.

activiteiten tentoonstellingen maart 26th, 2014

Twee jonge kunstenaars geven een nieuwe wending aan fotografie

Door Marloes Brugman en Masha van Vliet

Aan de vooravond van de opening van hun eerste tentoonstelling in het Stedelijk Museum vertellen generatiegenoten Paulien Oltheten (1982) en Anouk Kruithof (1981), onder het genot van een cappuccino en een stokje saté, over zichzelf, elkaar, hun fascinaties, gewoontes, overeenkomsten en verschillen.

Kijken naar gedrag en houding

Paulien Oltheten fotografeert, maakt korte films en geeft daar waar nodig commentaar door middel van tekst of tekeningen. Waar Paulien kleine verrassingen vindt in de alledaagse bezigheden van mensen op straat, onderzoekt Anouk in haar foto’s, installaties, sculpturen en fotoboeken de uitersten van de menselijke psyche. Hoewel hun praktijken zeer verschillend zijn, komt het werk van beide kunstenaars voort uit een fascinatie voor menselijk gedrag.

Voor Paulien is het vanzelfsprekend dat ze als mens geïnteresseerd is in de andere mensen om haar heen. Zij was altijd al geïnteresseerd in het menselijk lichaam. Op de academie begon zij haar eigen lichaam als studieobject te gebruiken. Ze onderzocht de plekken van spanning en ontspanning, bestudeerde danstheorie en verdiepte zich in de mimetechnieken van Etienne Decroux.

‘Op een gegeven moment merkte ik dat ik het prettiger vond dat andere mensen deden wat ik tot dan toe met mijn eigen lijf aan het onderzoeken was. Er ging een wereld voor me open toen ik erachter kwam dat allerlei mensen op straat op de juiste plek stonden en de juiste dingen deden. Het gaat mij in eerste instantie niet direct om de persoon, maar om de houding en de abstracte vorm die ik hierin zie.’

Waar Paulien meestal een zekere afstand bewaart tot de personen op haar foto’s, komt het werk van Anouk vaak tot stand in samenwerking met mensen die zij bewust benadert en actief betrekt bij de interventies of sociale acties die zij uitvoert.

‘Ik vind het sociale aspect van menselijk contact heel belangrijk en ben helemaal geen observator op de straat, zoals Paulien dat wel is. Mensen samen brengen en samen iets organiseren, daar krijg ik energie van.’

Anouk gaat in haar werk op zoek naar de grenzen van het medium fotografie. In haar installaties en sculpturen combineert ze foto’s met niet artistieke materialen, zoals piepschuim, sponzen, magnetronfolie en baksteen. Deze materialen hebben voor haar vaak een metaforische betekenis. In de tentoonstelling in het Stedelijk Museum staat haar fascinatie voor de muur en de verschillende interpretaties die zij hier aan geeft centraal.
‘Eigenlijk heeft ieder mens een soort onzichtbare muur om zich heen. Ik wil daar graag doorheen prikken. Fysieke muren kunnen veiligheid betekenen, maar ook een begrenzing.’

New York als inspiratiebron

Paulien reisde naar landen als Myanmar, Japan, Rusland, Oekraïne en afgelopen jaar woonde ze in New York. Ze ontdekte onder andere dat de schaamtegrens in elk land weer anders is.

‘In Japan hebben mensen een zekere afstand tussen elkaar, terwijl in Rusland mensen juist vaak heel dicht bij elkaar staan. Zo zag ik eens twee vrouwen in St. Petersburg met hun dikke buiken tegen elkaar gedrukt terwijl ze in een gesprek verwikkeld waren. Dat zou in Japan in diezelfde setting niet zo snel voorkomen. Ik omarm deze culturele verschillen en reageer hier op in mijn beelden. Dit doe ik dan vanuit het basisprincipe van de fysieke handeling. Mijn nieuwe werk A Moment of Slowing Down komt voort uit mijn periode in New York. Hierin heb ik voor het eerst een nieuwe persoonlijke manier van contact maken gebruikt. Ik heb de man in de film persoonlijk een brief gestuurd en gevraagd of ik hem nog een keer mocht filmen. Mijn brief en zijn reactie daarop geeft het werk ineens een nieuwe context waarin onder andere zijlings wordt refereert aan de gevolgen van de economische crisis.’


Anouk woont en werkt in New York, waar ze momenteel een residency doet aan de ISCP. Een ludiek, doch kritische kijk op werkdruk, prestatiedrang, machtsverhoudingen en stress, vormen het uitgangspunt in haar nieuwste werken. Voor de installatie Push-up vroeg zij zakenmannen om voor de ingang van grote bedrijven zoveel mogelijk push-ups te doen. Zij ging hiermee door totdat ze, vanwege aansprakelijkheidsredenen, door de bewaking werd weggestuurd.

‘Na 9/11 is er een angstdeken komen te liggen over met name het financiële district in New York. De regels nemen ridicule vormen aan. In mijn werk probeer ik dit op ironische wijze te relativeren.’

‘Ons werk heeft raakvlakken, maar is ook heel verschillend’

Paulien en Anouk maakten een vergelijkbare ontwikkeling door. Ze studeerden een jaar na elkaar af, leerden elkaar kennen in Berlijn en verbleven gelijktijdig in New York.

‘Maar we zagen elkaar daar eigenlijk niet zo vaak, ook al werkten we in hetzelfde gebouw.’, zegt Anouk. ‘Ik denk niet echt dat we elkaar hebben beïnvloed. Ons werk heeft raakvlakken maar is ook heel verschillend. In tegenstelling tot Paulien kan ik niet iets herhalen. Als ik iets al eerder gedaan heb, interesseert het me niet meer.’
Paulien haar werkwijze en uitwerking zijn steeds ongeveer hetzelfde. ‘Ik ben wel aan het nadenken over een nieuwe manier van presenteren. Ik zou eigenlijk los willen komen van de muur, misschien wat meer terug naar de performance’, licht Paulien toe.

Daarnaast heeft Anouk echt mensen nodig om haar projecten uit te kunnen voeren. Dit is wederom een verschil met Paulien. Zij werkt liever in haar eentje en als ze hulp nodig heeft, vraagt ze iemand die zij vertouwt of goed kent.

‘Ik wil mij op langer termijn misschien gaan verdiepen in wat ik al heb gemaakt en hiermee een langer verhaal maken’, vertelt Paulien. Anouk wil graag een aantal kunstenaarsboeken, die al op de plank liggen, afmaken en daarnaast veel werken in Amerika. ‘In New York word ik iedere dag verrast door iets absurds dat ik zie of meemaak. Daarom ben ik daar!’

De tentoonstelling Paulien Oltheten & Anouk Kruithof is t/m 9 juni 2014 te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam.

Foto credits:
1 Paulien Oltheten en Anouk Kruithof
2 Anouk Kruithof, Façade, 2014
3 Paulien Oltheten, A Moment of Slowing Down (part 1), New York ,2013
4 Anouk Kruithof, Push-up, 2013

Global Collaborations maart 14th, 2014

Kick Off Collecting Geographies Conference

Gisteravond vond de kick-off plaats van het driedaagse symposium Collecting Geographies: Global Programming and Museums of Modern Art, geïnitieerd en georganiseerd door het Stedelijk Museum, in samenwerking met ASCA/ACGS van de Universiteit van Amsterdam, Moderna Museet Stockholm, Folkwang Museum Essen, en het Tropenmuseum Amsterdam.

SMA+GClogo_DEF_1200dpi

Stedelijk Museum curator Jelle Bouwhuis, opende de avond met een toelichting op de urgente vragen en kwesties die de komende dagen centraal staan. De vragen komen grotendeels voort uit het onderzoeksprogramma Project 1975, waar het SMBA de afgelopen drie jaar aan gewerkt heeft. Hoewel deze vragen en kwesties misschien niet origineel zijn, aldus Bouwhuis, initiatiefnemer van het project, in hedendaagse en moderne kunstinstellingen is er nauwelijks aandacht voor, althans niet in Nederland. Een van de belangrijkste vragen tijdens dit symposium is dan ook ‘Hoe kunnen westerse musea voor moderne kunst omgaan met kunst uit een kunstwereld die steeds sterker globaliseert en dus steeds ‘groter’ wordt?’ Dit brengt ons direct tot aanverwante vragen zoals: ‘Was de wereld vroeger inderdaad kleiner? En waar stond het zogenaamde internationale museum model uit de jaren ’50 voor, en hoe heeft dit archetype zich ontwikkelt tot het huidige global art museum? (Een uitgebreid gesprek met Bouwhuis over de context en de inhoud van het symposium is te vinden op de website van Metropolis M.)

De introductie van Jelle Bouwhuis werd gevolgd door de openingslezing van het symposium, getiteld Leven en dood in het tijdperk van de ‘Global Contemporary’, door Pamela M. Lee, professor in Kunst en Kunstgeschiedenis aan Stanford University. Lee begon haar lezing met een bekend citaat van Chris Marker en Alain Resnais uit hun film Les statues meurent aussi, uit 1952: “Als mensen sterven, treden zij de geschiedenis binnen. Als standbeelden sterven, treden zij de kunst binnen. En deze biotoop van de dood, is wat we cultuur noemen.” Volgens Lee symboliseert deze frase – en de film – de problematische dynamiek van leven en dood die de global contemporary typeert: Op het moment dat objecten uit hun context worden gehaald en in een museum worden geplaatst, wordt hun sociale leven te niet gedaan, en verworden zij of tot etnografisch artefact, of tot object voor esthetische contemplatie.

_IMG_1777_edited

In haar lezing brengt Lee de vreemde veranderingen en effecten van deze dynamiek in de geglobaliseerde kunstwereld in kaart; een kunstwereld die vaak wordt omschreven met de term global contemporary. Diverse wijdverbreide aannames met betrekking tot de mondiale kunstwereld worden door Lee kritisch geanalyseerd. Zo vraagt zij zich af hoe de global contemporary, verwijzend naar de beeldende kunstwereld van na ’89, is omgegaan met het erfgoed van bijvoorbeeld het post-communistische tijdperk, behalve dan dat zij, heel naïef, net doet alsof het volledig is verdwenen, weggevaagd. Volgens Lee is het belangrijk om stil te staan bij de volgende vraag: Wat is er precies veranderd in de verschuiving van de oude musea naar de hedendaagse geglobaliseerde, musea; in de transitie van het museum van opslagruimte voor dode, koloniale objecten, naar flashy presentatie zalen in dienst van de ervaringseconomie.

Een tweede punt dat Lee maakt is dat de afstand tussen de culturele en de politieke economie steeds kleiner wordt. De politieke en economische rol die aan kunst wordt toebedeeld, is overal steeds evidenter geworden; dit is met name zichtbaar in grootschalige tentoonstellingen, zoals Dokumenta in Kassel. Maar sinds 1989 zijn ‘het postkoloniale’ en ‘het postcommunistische’ op zichzelf doelmatige middelen geworden voor de toenemende belangen van de internationale kunstmarkt.

Een van de casussen die door Lee uitgebreid wordt besproken is het Noord-Koreaanse Munsudae Art Studio Museum in Beijing. Volgens Lee is de oprichting van dit museum, waar objecten die in de Noord-Koreaanse Mansudae Studio worden vervaardigd te koop zijn, een symbolisch voorbeeld van de globaal contemporary, omdat deze instelling tegelijkertijd een transnationale speler op de kunstmarkt is, als een indicator van een ‘omgekeerd kosmopolitisme’. Mansudae staat in scherp contrast met de onderwerpen die in dit symposium Collecting Geographies op de agenda staan; tegelijkertijd adresseert Mansudae de verborgen en twijfelachtige omstandigheden die deze ‘nieuwe kunstwereld’ historisch mogelijk maakten. Mansudae laat zien hoe de hedendaagse kunstwereld in toenemende mate handelt in politieke, economische en maatschappelijke belangen en deze mobiliseert, aldus Lee. Door kritisch te kijken naar de manier waarop kunst steeds vaker de economische belangen en de politieke agenda’s van een land mobiliseert, komt de betekenis en de waarde van een concept als ‘collecting geographies’ in een heel ander daglicht te staan.

_800px-Propaganda_at_Mansudae_Art_Studio

Pamela Lee’s verhelderende lezing werd gevolgd door een paneldiscussie met afgevaardigden van de partnerinstellingen, waarin nader werd ingegaan op de centrale vraag hoe musea vandaag de dag omgaan met de global contemporary, in hun collectie beleid en in hun tentoonstellingsprogramma. Om antwoord te kunnen geven op deze vraag, is het zinvol om opnieuw te kijken naar de principes en ambities die bij de oprichting van de instellingen als uitgangspunt dienden. Temeer omdat deze historische kaders vaak, tot op de dag van vandaag de keuzes en beslissingen ten aanzien van de collectie of programmering bepalen, aldus moderator Margriet Schavemaker in haar inleiding op de paneldiscussie. Een tweede vraag, hoe gaan musea om met de geschiedenis van het modernisme? Is de global contemporary bij machte om geschiedenissen aan het licht te brengen die anders onzichtbaar zouden blijven?

 

_panel discussion thurs edited

Het Folkwang Museum bijvoorbeeld, werd in 1902 opgericht door Karl Ernst Osthaus om onderdak te bieden aan zijn collectie bestaande uit meer dan 2000 niet-Europese objecten, legt Tobia Bezzola, directeur van het Folkwang uit. “Osthaus’ intentie was om een collectie en een museum te creëren waar mensen objecten konden bezichtigen die ‘goed design’ demonstreerden, en zo als voorbeeld konden dienen voor de lokale vakmensen. En op de een of andere manier vond Osthaus deze niet-Westerse objecten het meest toe geschikt. Niet veel later besloot Osthaus de scope van het museum uit te breiden en ook Westerse kunstobjecten op te nemen in zijn collectie. Hiermee werd het Folkwang het eerste museum in de Europese geschiedenis waar Westerse Moderne Kunst naast niet-Westerse objecten werden getoond. Vandaag de dag speelt de collectie een belangrijke rol in het onderzoek en de programmering van het Folkwang; veel van onze tijd en aandacht wordt besteed aan het zoeken naar manieren om op een goede manier met dit ‘archeologische object’ om te gaan, en we nodigen kunstenaars uit hetzelfde te doen.

_800px-Moderna_museet,_2006

Voor Ann-Sofi Noring van het Moderna Museet in Stockholm is de vraag of de global contemporary een mausoleum heeft gemaakt van het museum voor moderne kunst, zeer reële. Hoe zorgen we ervoor dat het museum levendig blijft? Moderna Museet werd in 1960 opgericht door Pontus Hultén met stevige wortels in de traditie van de Westerse Moderne Kunst. “We moeten vandaag de dag rekenschap geven van het feit dat de wereld groter is dan Parijs en New York, en in dat opzicht vormt onze erfenis een beperking. In het Moderna Museet zijn we begonnen met te focussen op het lokale, naast het globale. Het is niet zozeer waar we naar toe willen gaan, maar waar we zijn.”

“Hoewel het Tropenmuseum een andere achtergrond heeft, worstelen wij met vergelijkbare issues”, aldus Wayne Modest, hoofd onderzoek in het Tropenmuseum. “De vraag is inderdaad hoe om te gaan met onze institutionele geschiedenissen.” Voor het Tropenmuseum is dit een beladen geschiedenis; het Tropenmuseum heeft zijn oorsprong in de Nederlandse koloniale en imperiale geschiedenis. “Deze erfenis bepaalt niet alleen de context voor de collectie die wij hebben, maar ook voor het instituut, en de identiteit van het instituut. Toch denk ik niet dat we ons van deze erfenis uit het verleden moeten ontdoen, we moeten manieren vinden om er op een relevantie manier mee om te gaan in het hier en nu.” Evenals Ann-Sofi Noring onderstreept Modest het belang van het lokale (boven het ver weg globale). “We moeten ons engageren met de veranderingen die plaats vinden in het lokale; de ‘nieuwe’ mensen die zich hier vestigen. Tegelijkertijd moeten we globaal gaan denken en kritisch reflecteren op wat het nu werkelijk betekent om te handelen in een globale context.”

De panel discussie eindigde met een heldere opdracht voor de panelleden en de mensen in de zaak: Als we daadwerkelijk willen begrijpen wat het betekent om globaal te zijn – in een kunstwereld die nog steeds hoofdzakelijk wit is en onderhevig is aan neoliberale agenda’s – moeten onze instellingen een grote stap voorwaarts maken.

 _wayne discussion edited

Het symposium Collecting Geographies: Global Programming and Museums of Modern Art vond plaats van 13 – 15 maart in het Stedelijk Museum en het Tropenmuseum in Amsterdam. Het volledige programma en achtergrondinformatie bij de sprekers en deelnemers, vind u hier. Dit najaar lanceert het Stedelijk Museum haar serie met academische e-papers. Het eerste nummer zal zijn gewijd aan de thema’s van Global Collaborations en aan deze conferentie in het bijzonder.

De conferentie Collecting Geographies maakt onderdeel uit van het driejarige programma Global Collaborations. Meer informatie over de verschillende projecten uit dit programma vind u hier.

[vertaald uit het Engels door Christel Vesters]

Manon Braat is kunsthistorica en freelance kunstcritica te Amsterdam.

Christel Vesters is kunsthistorica, curator en kunstcriticus, en editor van het Global Collaborations Online Platform.

Een van de deelnemers aan de conferentie, Jennifer Burris schreef ook een blog over haar impressies.

Fotografie Monique Kooijmans.

De magie van alledag 


Marlijn de Jager is freelance blogger voor het Stedelijk Museum. Op het Stedelijk Journal doet zij verslag van evenementen en activiteiten in het museum. Voor dit blog bezocht ze de Artist Talk van kunstenaar Jeff Wall.

Het forum van 1 maart trekt veel bezoekers. Geen stoel in het Auditorium van het Stedelijk Museum blijft onbemand. Het publiek luistert ademloos naar Jeff Walls verhaal. Niemand beweegt of zegt wat… Maar is dat wel zo? Er gebeurt altijd meer dan je in eerste instantie denkt en dat wil de Canadese fotograaf Jeff Wall laten zien.

Jeff Wall:Artist Talk
Garfieldsokken
Het publiek bestaat vooral uit kunsthistorici en fotografen van dertig tot en met vijftig jaar. Ook aan pers ontbreekt het niet. Een dame schrijft driftig in haar boekje. Haar bril schuift bijna ongemerkt van haar hoofd naar voren, totdat hij plots op haar neus eindigt. Met een driftige beweging zet ze hem terug op haar hoofd. Achter haar zit een jongeman in pak met zijn voet te wiebelen. Bij het opmerken van een vlek op zijn schoen, tilt hij zijn voet op het randje van de stoel. Een knipogende Garfield komt onder zijn broekspijp vandaan. Hij maakt zijn vinger nat en poetst de vlek weg. Iets verder naar achteren wrijft iemand in haar handen, ze slaat een sjaal om. Haar oorbel blijft steken. Ze peutert hem los en parkeert haar schouder dicht tegen die van haar man aan. Iedereen luistert geboeid naar het verhaal van Jeff Wall, maar niet zonder te krabben, te wrijven of te wiebelen. Iets wat overigens niemand echt opvalt, we doen het per slot van rekening allemaal instinctief. Dat intrigeert Jeff Wall.

Jeff Wall:Artist TalkEr zijn geen regels
“We hebben allemaal twee ogen. De meeste mensen gebruiken hun ogen als GPS-systeem, ze kijken doelgericht. Ik kijk om me heen, want er is altijd meer gaande dan je denkt”, legt Jeff Wall uit. Het is niet dat hij daarom zijn fototoestel overal meeneemt en aandachtig jaagt naar potentiële plaatjes. Sterker nog, hij heeft zijn camera bijna nooit bij zich en de situaties en locaties die hij fotografeert komt hij gewoonweg tegen. Jeff Wall laat zich inspireren door zijn omgeving. Als hij op een stoepje voor zijn studio in het zonnetje zit en mensen hem voorbij lopen met grote tassen, gaat er bij hem een lampje branden. Hij wil deze ‘nomaden van de stad’ vastleggen. Een dweilende man in een leeg kantoor of een slapende fietser maken ook een gevoel bij Jeff Wall los. Hij moet er iets mee. Het kan weken duren voordat hij deze taferelen reconstrueert. Daarbij laat hij zijn creativiteit de vrije loop. Er zijn geen regels, alles mag aangedikt of opgesmukt. Of juist niet.


Cinematografische reconstructie
Jeff Wall vergelijkt zijn werkwijze met die van een filmregisseur. Voorbereiding en samenwerking met andere partijen zijn noodzakelijk. “Je zou kunnen zeggen dat ik een soort filmregisseur ben, maar mijn films bestaan uit één beeld”, zegt hij zelf dan ook. Eén blik op de foto’s bevestigt deze bewering. Jeff Wall maakt geen futiele plaatjes, hij vertelt een verhaal. Daarnaast is Jeff Wall een meester in het opwekken van spanning, sfeer en vragen. Juist vanwege de filmische en soms theatrale elementen die hij toevoegt aan het beeld. Er is tot in de puntjes nagedacht over de cinematografische reconstructies van zijn herinneringen. En dat is wat Jeff Wall onderscheidt van andere fotografen.

JeffWall04Absurd en doodnormaal
Dat Jeff Wall juist die doodnormale straathoek van een gekunstelde setting voorziet, zorgt voor een magische ambiance. Of andersom, een karakteristieke locatie met een opmerkelijk detail. Twee tieners boksen in een keurige, klinische huiskamer. Op een kale begraafplaats zwemmen zeesterren in een vierkant gat en in een rommelige schuur plukken stevige dames kippen kaal. Jeff Wall maakt van dagelijkse beslommeringen eigenaardige beelden. Hij is een observant met een rijke geest. Dat hij in het Stedelijk Museum voor een volle zaal zorgt, bevestigt zijn status als gerenommeerd kunstenaar.

Nieuwsgierig?
Benieuwd naar Jeff Wall: TABLEAUX PICTURES PHOtOGRAPHS 1996 – 2013? De tentoonstelling is t/m 3 augustus te zien in het Stedelijk Museum.

Global Collaborations maart 3rd, 2014

Collecting Geographies – Magiciens de la Terre

Op 13, 14 en 15 maart aanstaande organiseert het Stedelijk Museum in samenwerking met ASCA/ACGS van de Universiteit van Amsterdam, Moderna Museet (Stockholm), Museum Folkwang (Essen) en het Tropenmuseum (Amsterdam), de academische conferentie Collecting Geographies – Global Programming and Museums of Modern Art. Tijdens deze conferentie gaat een diverse selectie sprekers nader in op actuele kwesties in de relatie tussen kunstinstellingen, globalisering en het postkoloniale discours. Een van de sessies is gewijd aan de baanbrekende én bekritiseerde tentoonstelling Magiciens de la Terre die 25 jaar geleden werd georganiseerd in het Centre Pompidou te Parijs. Cultuurwetenschapper Liza Swaving neemt in deze blog de controversiële erfenis van deze inmiddels canonieke tentoonstelling onder de loep aan de hand van de recent verschenen publicatie Making Art Global: “Magiciens de la Terre”, 1989.

magiciens

In 2014 is het precies 25 jaar geleden dat de tentoonstelling Magiciens de la Terre plaatsvond in het Centre Pompidou in Parijs. Afgelopen jaar verscheen in de Afterall-serie Exhibition Histories de publicatie Making Art Global (Part 2) ‘Magiciens de la Terre’ 1989. Deze retrospectieve publicatie geeft niet alleen een analyse en (visuele) reconstructie van de tentoonstelling maar reflecteert ook op haar invloed op het hedendaagse kunstdiscourse. Ook in het symposium Collecting Geographies wordt uitgebreid aandacht besteed aan deze spraakmakende tentoonstelling. Waarom geniet Magiciens de la Terre 25 jaar na dato nog steeds zoveel belangstelling? En wat is precies haar erfenis?

Kunst is een universele expressie

Magiciens de la Terre werd samengesteld door de directeur van het Centre Pompidou, Jean-Hubert Martin, en was zowel een voortzetting van als een tegenreactie op de omstreden tentoonstelling Primitivism in 20th Century Art, die vijf jaar eerder in het MoMA in New York plaatsvond. Magiciens de la Terre werd gepresenteerd als ‘the first worldwide exhibition of contemporary art’, en omvatte werk van honderd kunstenaars: vijftig kunstenaars afkomstig uit Noord-Amerika en Europa, en vijftig afkomstig uit wat Martin aanduidde als de periferie, de zogenaamd niet-westerse gebieden. Met het naast elkaar tonen van verschillende kunstopvattingen, -tradities en – stijlen, poogde Magiciens de la Terre een caleidoscopisch, mondiaal perspectief op de hedendaagse kunst te geven en uitwisseling tussen de verschillende artistieke benaderingen te stimuleren.

Martin stond een universalistische opvatting van artistieke expressie voor: kunst als een universeel fenomeen dat de specifieke culturele, geografische en subjectieve context overstijgt en een spirituele functie heeft. Door de uiteenlopende kunstwerken als gelijkwaardig aan elkaar te presenteren, poogde Martin het (historische en discursieve) onderscheid tussen westerse en niet-westerse kunst te slechten en de getoonde werken op hun eigen merites – als artistiek object – te waarderen: ‘Non-western art seems branded with a taboo that demands it cannot be shown without explaining its context. People should bear in mind that visual objects are capable of conveying signs and meanings through the imagination and the emotions’. Martin besloot alle kunstwerken vrijwel zonder context te presenteren, om niet het risico te lopen dat ze slechts als een representatie hun cultuur zouden worden geïnterpreteerd. Alleen informatie over het land van herkomst, het land van verblijf en de nationaliteit van de kunstenaars werd bekend gemaakt. Alleen werd deze informatie niet gebruikt als categoriseringsprincipe, maar juist om de onhoudbaarheid van deze indeling naar nationale identiteit aan te tonen.

_

Nam June Paik, Bonjour M. Orwell 1984 (1989)

Nam June Paik, Bonjour M. Orwell 1984 (1989)

Illusie van gelijkwaardigheid

Er kwam vanuit verschillende hoeken kritiek op de tentoonstelling. Zo stelden een aantal critici, waaronder  Benjamin H.D. Buchloh en Rasheed Araeen, dat de tentoonstelling een neokoloniaal project was. Buchloch vergeleek Martins denken en handelen met cultureel, politiek en economisch imperialisme. Araeen problematiseerde Martins idee van universalisme en decontextualisatie omdat het volgens hem niet leidde tot gelijkwaardigheid, maar tot oneigenlijke homogenisering. Door de visuele overeenkomsten tussen de kunstwerken te benadrukken en geen aandacht te schenken aan de verschillende culturele, economische en politieke omstandigheden waarbinnen de kunstwerken tot stand waren gekomen, creëerde Martin een illusie van gelijkwaardigheid, die geen ruimte liet voor dialoog, conflict of kritiek. Bovendien werd de bezoeker door de afwezigheid van context aangezet tot het toepassen van westerse esthetische kaders op objecten die buiten die kaders ook een andere betekenis hadden: een vorm van culturele toe-eigening. Dat de idee van gelijkwaardigheid gebaseerd was op een illusie blijkt mogelijk ook uit de criteria die Martin hanteerde tijdens het selectieproces: terwijl westerse kunstenaars werden geselecteerd op grond van ‘their concern for cultures other than their own’, werden niet-westerse kunstenaars geselecteerd indien zij werk maakten dat verwees naar ‘elements of their cultural roots’. Een gevolg hiervan was dat een aanzienlijk deel van de niet-westerse kunst rituele, figuratieve en volkskunst betrof, die werd gekenmerkt door een toepassing van traditionele vormen van materiaalproductie – en gebruik. Jean Fischer beschouwde dit als een ‘fetisjering’ van traditionele productieprocessen, een indicatie voor een westers verlangen naar een pre-industriële vorm van culturele authenticiteit. Met andere woorden, Magiciens de la Terre  werkte juist exotisme, mystificatie en stereotypering van de niet-westerse kunst in de hand.

_

Alfredo Jaar, La géographie, ça sert d'abord à faire la guerre (1989)

Alfredo Jaar, La géographie, ça sert d’abord à faire la guerre (1989)

Er was ook positieve kritiek die de tentoonstelling prees om zijn grensverleggende karakter, het openbreken van de binaire oppositie westers/niet-westers en het stimuleren van culturele dialoog. Zo stelde Alfredo Jaar, één van de deelnemende kunstenaars, in een recent interview: ‘It was evident that after ‘Magiciens’ there was no turning back. In my view, it really was the first crack in the Western art bunker.’

Global Turn

Het polariserende debat dat de tentoonstelling genereerde, heeft eraan bijgedragen dat zij tot op de dag van vandaag een belangrijk referentiepunt is. De tentoonstelling stond model voor vele tentoonstellingen en biënnales, zowel internationaal als in Nederland. Zo zagen de jaren ’90 een groot aantal tentoonstellingen gewijd aan kunst uit niet-westerse of gemarginaliseerde gebieden; en sinds het nieuwe millennium groeide het aantal tentoonstellingen die de invloed van globalisering op artistieke productie en receptie onderzochten. Deze en andere ontwikkelingen zijn onderdeel van wat de global turn wordt genoemd: een periode van mondiale politieke en economische verschuivingen waarin het eurocentrische denkkader van de kunstgeschiedenis, de kunstmusea en de canon vanuit verschillende disciplines wordt hervormd, herschreven en gedecentraliseerd. Ideeën uit de postkoloniale theorie en antropologie worden toegeëigend binnen de kunsttheorie en toegepast in de tentoonstellingspraktijk; er ontstaan alternatieve terminologieën, zoals global art, world art, transnational art en het recentere glocal art, die het fixeren van kunst op grond van nationaliteit identiteit analyseren en uitdagen. Positief of negatief, Magiciens de la Terre is een belangrijke katalysator in deze global turn.

 

pompidou_edited

Modernites Plurielles de 1905 a 1970 in Centre Pompidou (photo: Jelle Bouwhuis)

De erfenis en reputatie van Magiciens de la Terre worden ook door het Centre Pompidou zelf levend gehouden. Deze zomer organiseert het museum een ‘Summer School’ rondom Magiciens en In 2009 werd het ambitieuze onderzoeksprogramma ‘Recherche et Mondialisation’ opgericht, dat zich onder leiding van Catherine Grenier richt op de het ‘internationaliseren’ van het collectiebeleid en het herschrijven van de kunstgeschiedenis. Binnen dit programma werd onlangs de nieuwe collectieopstelling Modernités plurielles de 1905 à 1970  gerealiseerd, waarin moderne kunst vanuit een mondiaal perspectief wordt gepresenteerd, als correctie op het idee dat modernisme enkel een westers fenomeen is. De collectieopstelling wordt gepresenteerd als de eerste tentoonstelling waarmee het Centre Pompidou een mondiale geschiedenis van de kunst laat zien ‘met meer dan 1000 kunstwerken, 400 kunstenaars uit 47 landen’. Het museum treedt hiermee duidelijk in de voetsporen van Magiciens de la Terre; en naar het lijkt, stapt het ook in dezelfde valkuilen. Immers, geeft het herschrijven van de kunstgeschiedenis vanuit het perspectief van het modernisme niet blijk van eenzelfde vorm van toe-eigening en fictieve decontextualisatie waarvan Magiciens de la Terre werd bekritiseerd?

—————–

Alle citaten in de tekst zijn afkomstig uit Lucy Steeds et al., Making Art Global (Part 2). ‘Magiciens de la Terre’ 1989, Londen (Afterall Books/Koenig Books) 2013

Meer informatie over het symposium Collecting Geographies en het volledige programma vindt u hier. Op zaterdagmorgen zal Annie Cohen-Solal, een lezing geven getiteld ‘Magiciens de la Terre and other Postcolonial Exhibitions’.

Voor literatuur over de global turn zie onder meer: Hans Belting, Andrea Buddensieg & Peter Weibel (red.), The Global Contemporary and the Rise of New Art Worlds, Cambridge, MA (The MIT Press) 201;  Jill H. Casid et al., Art History in the Wake of the Global Turn, Londen (Yale University Press) 2014.

Copyright Alfredo Jaar, courtesy Galerie Lelong, New York.

Photography copright Deidi von Schaewen.

Liza Swaving, MA is cultuurwetenschapper en voltooide de Master Museumconservator aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ze is Research Associate bij Rijksmuseum Volkenkunde, waar ze onderzoek doet naar de relatie tussen authenticiteit en het gebruik van bewegend beeld in de tentoonstellingen van het museum.

Blikopeners buiten de deur verslag februari 25th, 2014

Kunst en kebab in Liverpool

‘Welke website bezoek jij het vaakst?’ Afgelopen weekend vloog ik voor het Stedelijk naar Liverpool om als Blikopener te praten over hoe je via internet jongeren bij kunst kan betrekken. Ik ontmoette daar jongeren van het Centre Pompidou in Parijs, het Reina Sofia in Madrid en het Tate in Liverpool en London.

blog

Grote grijze wolken hingen boven Liverpool toen we om 11 uur ‘s ochtends kwamen aanvliegen. Het regende en waaide best wel hard. Vanuit ons glazen hotel van acht verdiepingen, dat vrijwel naast het Tate Liverpool zat, kon je uitkijken over het havengebied en een soort raar gebouw dat nogal op het EYE leek. Het Tate Liverpool was totaal anders dan het Stedelijk, kleiner dan ik had verwacht en minder imposant.

Vrijdagmiddag gaven we presentaties over welke websites en media ons aanspreken en welke platforms we gebruiken in het museum, zoals Facebook, Instagram, Tumblr, Soundcloud en Youtube. In de avond opende in het Stedelijk de Marcel Wanders tentoonstelling en in het Tate Liverpool ‘Welcome to my world’, een tentoonstelling van jongeren uit Liverpool in samenwerking met fotograaf Joann Kushner. Op zaterdag gaven de begeleiders presentaties over projecten. Toen Marloes en Joy vertelden over ‘What The Art!?’ (het tv programma van Blikopeners) waren de anderen best wel onder de indruk. ‘My Line Or Mine’ vonden ze ook leuk. De begeleiders uit Parijs en Madrid vertelde over hun programma’s om de jeugd uit de buitenwijken bij kunst te betrekken.

Tijdens de lunch op vrijdag, in een pizzeria naast het Tate, kwam ik erachter dat de andere jongeren vrijwillig werken. Blikopeners zijn jonger en zitten bijna allemaal op school. De ‘peer educators’ uit Parijs, Madrid, Liverpool en London zijn ouder en de meesten studeren kunstgeschiedenis of doen een kunstopleiding. Ze weten allemaal enorm veel over kunst en zijn erg gepassioneerd. Bij Blikopeners hebben we jongeren die dat veel minder hebben. Dat is eigenlijk wel handig, want de meeste Amsterdamse jongeren hebben namelijk (nog) niet zo veel belangstelling voor kunst.

Uitgaan in Liverpool was een ervaring. Wat eigenlijk het meest opviel waren alle vrouwen die trots mini rokjes droegen en met hun hoge hakken moeilijk over de straten van Liverpool paradeerden. Het was op dat moment nogal koud en een van de jongeren van het Tate Liverpool vertelde me dat ze waarschijnlijk te dronken waren om de kou te voelen. Om 12 uur ‘s nachts lagen er in een straat in het centrum drie mannen en één vrouw, naast elkaar, passed-out in de regen, op de grond. Het Geordie Shore niveau was hoog. De clubs bleven tot 5 uur open en alle fastfood restaurants nog later, waardoor er een massale verhuizing plaats vond van de clubs naar het fastfood. Dat leidde tot geweldige taferelen in de tl-verlichte restaurants waar de mannen in hun t-shirts en de vrouwen, hun gezicht bedekt met lagen foundation, grote hoeveelheden kebab aan het eten waren.

blog2

De volgende dag zaten we weer in het Tate om, vrij vermoeid, verder te praten over hoe we van elkaar zouden kunnen leren en dingen kunnen uitwisselen. We hebben besloten om te kijken of we met alle musea samen een online kunstplatform voor jongeren (misschien in de vorm van een app) kunnen starten. Het weekend was erg interessant en inspirerend

Global Collaborations februari 5th, 2014

Artist-in-Residence: Bernard Akoi-Jackson

Als onderdeel van het meerjarige Global Collaborations programma, heeft het Stedelijk Museum de Ghanese kunstenaar Bernard Akoi-Jackson uitgenodigd als artist-in-residence. In samenwerking met de Blikopeners van het Stedelijk Museum zal Akoi-Jackson het komende jaar een project ontwikkelen rondom thema’s als cultuur en identiteit. De Blikopeners zijn jongeren in de leeftijd 15-19 jaar met een frisse kijk op kunst. Zij vertegenwoordigen uiteenlopende achtergronden, studie-richtingen en komen uit verschillende delen van Amsterdam. De Blikopeners verzorgen rondleidingen en geven het museum advies over verschillende aspecten van het museum. Bram Verhoef, zelf aanstormend kunstprofessional, interviewde Akoi-Jackson om meer te weten te komen over zijn plannen.

_

Bernard Akoi-Jackson, [titel]

Bernard Akoi-Jackson, Greyman (2012)

Bernard Akoi-Jackson is een internationaal gerenommeerde kunstenaar uit Ghana. Tijdens zijn opleiding aan de KNUST  kunstacademie van Kumasi was hij vooral bezig met schilderkunst, maar gebruikte tegelijkertijd meer dan alleen de mogelijkheden van het schildersdoek. Zo is in zijn installaties, performances, video’s en foto’s participatie met het publiek van groot belang. Akoi-Jackson maakt veel gebruik van alledaags materiaal: hij vergroot alledaagse handelingen uit tot rituelen, manipuleert teksten die hij tegenkomt en speelt met de symbolische waarde van kleur. In 2012 nam Akoi-Jackson deel aan de groepstentoonstelling Time, Trade, Travel  in het SMBA. Terugkerend thema is zijn zoektocht naar begrippen als identiteit en originaliteit en de vraag hoe wij binnen onze samenleving een waardeoordeel construeren rondom deze begrippen. Wat betekent het om Nederlands te zijn, en wat om Ghanees te zijn? Welke rol speelt onze geschiedenis hierin? Akoi-Jackson benadert deze vragen op een kritische maar joviale manier waarbij hij de kijkers een spiegel voorhoudt.

Akoi-Jackson heeft een hart voor educatie. Het is niet alleen een essentieel onderdeel van zijn kunstpraktijk; Akoi-Jackson geeft ook les op de Tema International School, a Ghanese middelbare school dichtbij de hoofdstad Accra, waar hij jongeren graag in contact brengt met kunst.

Bram Verhoef:Installation in tentoonstelling Time, Trade, Travel, SMBA (2012)

Bernard, kun je misschien iets vertellen over de rol die kleur speelt in je werk?

Bernard Akoi-Jackson:

In mijn werk gebruik ik vaak de kleur rood. Zo is een van mijn werken gebaseerd op het Engelse gezegde ‘seeing red’. Dit kan letterlijk vertaald worden als ‘het zien of observeren van de kleur rood’, maar ook als boos of geïrriteerd zijn. Voor mij zijn dit geen negatieve emoties; boosheid en irritatie kunnen juist ingezet worden om actie te ondernemen en iets positiefs te bewerkstelligen.

In een ander project ging over ‘red tape’, oftewel bureaucratische rompslomp. In de performance Red Tape on Bottleneck speelde ik met het verschijnsel bureaucratie in voorheen gekolonialiseerde landen zoals Ghana. Voor mij is dit een doelloos, hedendaags ritueel waar we collectief aan meedoen. Mijn intentie met deze performance was om samen met het publiek een collectief narratief te creëren, waardoor het werk niet alleen door de kunstenaar gemaakt wordt, maar samen met het publiek. Deze twee projecten vormen het startpunt voor mijn project met de Blikopeners in het komende jaar.

BV: In je werk gebruik je regelmatig Vlisco stoffen. Waarom kies je ervoor om dit specifieke fabricaat te gebruiken?

BA-J: Dit is een textiel dat van origine uit Indonesië komt, ook wel bekend als batik, of Dutch wax. Tegenwoordig wordt het geproduceerd en verhandeld door een Nederlands bedrijf, Vlisco, en is het erg populair in veel Afrikaanse landen. In een serie foto’s getiteld uit 2012, gebruikte ik de stof om verschillende rollen uit een collectieve, koloniale geschiedenis uit te vergroten. De foto’s waren het resultaat van een performance waarin ik deze verschillende rollen, of identiteiten, als karikaturen neerzette. Elke identiteit was gekleed in zijn eigen stof, met zijn eigen kleur en uitstraling. De onderliggende vraag is natuurlijk: Wiens eigendom is dit product nu, tot welke cultuur of identiteit behoort dit?

BV: Wat zijn je plannen voor je residency in het Stedelijk Museum?

BA-J: Tijdens mijn residency in het Stedelijk wil ik voortborduren op de ideeën uit  eerdere projecten. Het doel van een initiatief als de Blikopeners – het openen van de blik van het publiek – vormt een belangrijke invalshoek. Daarnaast zou ik in het kader van ‘Global Collaborations’ graag een culturele uitwisseling faciliteren. Bijvoorbeeld door de Blikopeners in contact te brengen met mijn studenten uit Ghana, om zo het potentieel dat wereldwijde samenwerking biedt, volledig te benutten en een dialoog op gang te brengen. Ook wil ik de plek die het Stedelijk is en inneemt als museum, als inspiratiebron gebruiken.

Bernard Akoi-Jackson with Blikopeners

BV: Wat is de rol van de Blikopeners in dit project?

BA-J: De rol van de blikoperers begint er mee dat ze democratisch meebeslissen over de aard van het project en het proces. Daarbij voeden ze mij door middel van ideeën en kritieken. Hier ga ik vervolgens mee aan de slag door een plan op te stellen. De Blikopeners zijn de deelnemers van het kunstproject. Ze werken mee bij de voorbereiding en uitvoering. Ze helpen bijvoorbeeld mee bij het creëren van het werk, worden de performers, of vormen levende sculpturen.

BV: Wat is voor jou de betekenis van participatie in een project als dit?

BA-J: Alle uitwisseling tussen mensen zie ik als een verbintenis, via uitwisseling participeren we met elkaar. Waar vroeger schilders hun eigen spullen prepareerden, wordt verf nu gefabriceerd. Dit is ook al een vorm van participatie: de kunstenaar is niet langer degene die alleen al het werk verricht, er zijn ook andere mensen bij het proces betrokken. Dit geldt ook voor het proces van betekenisgeving van een kunstwerk. Een kunstwerk is niet de creatie van een enkele kunstenaar, maar een narratief van een aantal co-auteurs. Zonder dit gezamenlijke verhaal heeft een werk geen waarde. Iedereen brengt zijn stem in, de een luider dan de ander, en zo wordt collectief de betekenis van een werk gecreëerd. We zouden het als een recht mogen zien, een fundamenteel recht, om mee te werken aan de totstandkoming van het verhaal, maar dit recht betekent ook dat we  hier allemaal een verantwoordelijkheid voor dragen. Participatie draait niet om het beledigen of het confronteren. Het moet juist joviaal zijn, het moet relaxed zijn om aan deel te nemen. Ik vind het interessant deze gedachtegang over te brengen op de Blikopeners, zodat zij dit weer door kunnen geven aan de bezoeker.

BV: Wat is de betekenis van deze ideeen over participatie op globale schaal?

low res_Stedelijk_2013-12-12_Opening-Blikopener-Spot_Tomek-Dersu-Aaron_009

B-AJ: Het feit dat er een globale samenwerking is betekent vooral het kijken naar overeenkomsten en verschillen. Voor mij geldt: het maakt niet uit hoe verschillend je denkt te zijn, of hoe anders de culturele achtergrond lijkt, het komt uiteindelijk op hetzelfde neer. Vooral bij jongeren gaat de culturele achtergrond een steeds kleinere rol spelen, door bijvoorbeeld het internet. Zo is het voor mij ook in kunst. Op het moment dat je dingen tot extremen brengt, ga je vooral overeenkomsten zien. Dit is een functie van kunst die ik koester. Door je af te vragen of de manier waarop je kijkt genuanceerd is, en door steeds opnieuw te kijken, zal de manier waarop je kijkt veranderen. Hiermee verandert ook de manier waarop je jezelf informeert en naar de wereld kijkt. Dit is hoe je nieuwe dingen leert en nieuwe ervaringen opdoet.

De Blikopeners die hebben deelgenomen zijn Jan, Kayleigh, Joe, Helinda, Janne, Chris, Sa-Ra, en Robin.

Bram Verhoef studeert Educatie in Beeldende Kunst en Vormgeving aan de Willem de Kooning Academie te Rotterdam, en is vooral nieuwsgierig naar de vraag hoe de relatie tussen kunst en publiek versterkt kan worden. Bram heeft meegewerkt aan de ontwikkeling en uitvoering van verschillende kunst-educatieve projecten, en zal voor de Global Collaborations Journal in het komende jaar het artist-in-residence project van Bernard Akoi-Jackson volgen.

Global Collaborations januari 23rd, 2014

Beirut Again and Again*: Een reis door de Libanese kunstwereld

Na een vruchtbare samenwerking tussen het SMBA en KUNCI in Yogyakarta, met als resultaat de tentoonstelling en publicatie Made in Commons, richt deel twee in de Global Positions serie zich op de regio Beiroet. Op uitnodiging van het SMBA ontwikkelen de gastcuratoren Nat Muller en Angela Harutyunyan een voorstel voor een tentoonstelling die zowel in Amsterdam als Beirut zal plaatsvinden, met daarbij een publicatie en een publieksprogramma. Global Positions II wordt georganiseerd in samenwerking met het Beiroetse kunstenaarsinitiatief 98 weeks. In aanloop naar de tentoonstelling die dit najaar zal openen, deelt Nat Muller in deze blog alvast haar kijk op de kunstwereld in Beiroet.

Beirut - 12 July, 2006. First day of the 2006 July war with Israel.
Beirut – 12 juli, 2006. Eerste dag van de oorlog met Israel.

_

Mijn eerste bezoek aan Beiroet om onderzoek te doen voor een tentoonstelling, staat mij nog helder voor de geest. Het was 16 februari 2005, twee dagen nadat Premier Rafiq el Hariri met een allesverwoestende autobom om het leven was gebracht. Het vliegtuig was leeg, en de straten van Beiroet bij aankomst verlaten. De aanslag op Hariri leidde tot een storm van protesten culminerend in de terugtrekking van het Syrische leger uit Libanon na een bezetting die 29 jaar duurde. In de drie weken die volgden vond het merendeel van mijn ontmoetingen met kunstenaars, curatoren en andere kunstprofessionals plaats tijdens demonstraties en herdenkingsoptochten Het was een crash-course in Libanese politiek. En tot op de dag van vandaag herinnert deze ervaring mij aan het feit dat productie van kunst in Libanon nauw verweven is met het heden en verleden, de politieke geschiedenis, de wonden van de Burgeroorlog (1975-1990), het individuele en collectieve geheugen – of het gebrek hieraan. De kortstondige “Cedar Revolutie” die volgde op Hariri’s moord bracht weliswaar een herschikking van de machtsbalans in Libanon, maar betekende niet het einde van de sektarische geschillen. Integendeel, spanningen tussen de verschillende groeperingen in Libanon zijn sindsdien alleen maar toegenomen en houden tot op de dag vandaag het land in haar greep. Wel stimuleerde de terugtrekking van Syrië tot een influx aan investeringen vanuit de Golf Regio en van de Libanese diaspora, wat leidde tot een explosieve groei in de bouwsector, een sterke stijging van de vastgoedprijzen en de betreurenswaardige uitverkoop van het architectonische erfgoed van Beiroet; vele beeldschone Ottomaanse villa’s zijn gesloopt om plaats te maken voor de zoveelste, oerlelijke wolkenkrabber. Hoe dan ook, het zette Libanon weer op de kaart.

3ArtFactum_4WalidRaad
Solo tentoonstellingen van Lamia Joreige in Art Factum Gallery, en Walid Raad in Sfeir-Semler Gallery (beiden 2013)
_
Kunstenaars

De kleine, maar levendige Libanese kunst scene bloeide in deze onzekere omstandigheden. Mede vanwege de politieke instabiliteit ontpopte de kunst scene zich vooral als een cultuur van tijdelijke activiteiten en events. Vooral Libanese kunstenaars die opgroeiden tijdens de Burgeroorlog, zoals Walid Raad, Akram Zaatari, Joana Hadjithomas & Khalil Joreige, Lamia Joreige en Rabih Mroué maakten in deze periode furore in de internationale kunstwereld. Hun werk gaat in belangrijke mate over de nasleep en het verwerken van de Burgeroorlog, en toont een interesse in onderwerpen als het individuele en collectieve geheugen, herinneren en vergeten, het archief en de politiek van representatie (na rampspoed). Ook bij organisaties als het unieke Arab Image Foundation, dat sinds 1997 bestaat en de fotografische erfenis van het Midden-Oosten en Noord-Afrika bestudeert en conserveert, zien we een speciale aandacht voor het archief en archiveren terug als belangrijke drijfveer. Zo ook bij Umam D&R, een non-profit organisatie opgericht in 2004 en gevestigd in de buitenwijken van Beiroet, die zich toelegt op het archiveren en bestuderen van Libanons nationale geschiedenis en de herinnering aan haar Burgeroorlog.

Mounira al Solh, detail video installation Dinosaurs (2013)
Mounira al Solh, detail video installatie Dinosaurs (2013)

_

Een jongere generatie kunstenaars, allen begin tot midden jaren dertig, trad meer recentelijk op de voorgrond. Voortbordurend op de thema’s en de beeldtaal van de generatie kunstenaars voor hen, speelt deze groep kunstenaars met humor en populaire cultuur, en lijken zij zich door en door bewust van de verwachtingen die de lokale en internationale kunstwereld aan hen stelt. Voorbeelden zijn Mounira al Solh, Raed Yassin, Ziad Antar, Ali Cherri en de populaire schilder Ayman Baalbaki. In tegenstelling tot de overwegend beeld georiënteerde kunstpraktijk van de na-Burgeroorlogse generatie, is het werk van kunstenaars zoals Rayyane Tabet, Daniele Genadry en Stéphanie Saadé materiaal georiënteerd, zowel in het concept als in de uitvoering.

Kunstinstellingen en organisaties

De belangrijkste kunstinstelling in Beiroet is Ashkal Alwan, de Libanese Vereniging voor Beeldende Kunsten die 19jaar geleden mede werd opgericht door de onvermoeibare Christine Tohme die de organisatie nog steeds leidt. Ashkal Alwan’s programma met festivals en evenementen, en het twee tot drie-jarige programma Home Works: A Forum for Cultural Practices waar iedereen reikhalzend naar uitkijkt, is niet alleen staalkaart van belangrijke artistieke en socio-politieke kwesties, het is ook een culturele en politieke thermometer van de regio. Voor mij is het Home Works programma, dat inmiddels haar 6e editie beleeft, het platform waar ik door de jaren heen het meeste heb geleerd over het Midden-Oosten en de Noord-Afrikaanse kunstwereld. Niet alleen vanwege de programmering maar vooral omdat het een uitstekende plek is om kunstenaars en andere kunstprofessionals uit de regio te ontmoeten. In 2011 opende Ashkal Alwan haar Home Works Space; 2000 m2 gewijd aan kunsteducatie en –productie.

Werk van Raed Yassin, Beirut Art Space (2009)

_

De klassieke, white cube kunst- en tentoonstellingsruimte zijn een uitzonderlijk en recent verschijnsel in Beirut. Het Beirut Art Center (BAC) opende in 2009 haar deuren. Het BAC wordt gerund door kunstenaar Lamia Joreige en Sandra Dagher, de voormalige directrice van het inmiddels gesloten Espace SD, een semi-commerciële ruimte voor kunst en design. Het BAC biedt haar bezoekers een uitgebreid programma met publieksactiviteiten, solotentoonstellingen met internationaal gerenommeerde kunstenaars uit de regio, zoals Mona Hatoum, Wael Shawky en met internationale boegbeelden als Gerhard Richter en Harun Farocki. Het BAC organiseert ook de jaarlijkse Exposure tentoonstelling waarin aanstormend talent uit Libanon in de schijnwerpers wordt gezet. Het belang van een fysieke plek voor hedendaagse kunst in Beiroet moet niet worden onderschat. Door de jaren heen zijn Libanese kunstenaars en curatoren experts geworden in het omgaan met ad hoc situaties en in het ontwikkelen van alternatieve organisatie- en presentatiemodellen waarin disruptie en dislocatie een logische plek hadden, omdat zij zich staande moesten zien te houden in een instabiele en onvoorspelbare omgeving. Maar de op tijdelijke events georiënteerde structuren die hiervan het resultaat zijn, werken ook als versterking van de fragmentatie die inherent is aan deze reeds verdeelde stad. Door beeldende kunst een vast onderkomen te bieden van steen en cement, krijgen ook andere modellen en praktijken een plek, zowel lokaal als in een breder en bijvoorbeeld kunsthistorisch perspectief.

Work van Marwan Rechmaoui in Home Works Space voor de renovatie; panel discussion in HomeWorks 5 (2010)

_

Een hele andere tak van sport in de Libanese en regionale kunst scene wordt vertegenwoordigd door de Sfeir-Semler Gallery, die in 2005 naast haar galerie in Hamburg een dependance opende in Beiroet. De galerie is gevestigd in het industriegebied van Beiroet, Karantina, waar tijdens de Libanese Burgeroorlog meerdere massamoorden plaatsvonden en waar tegenwoordig de Sukleen vuilstortplaats en het slachthuis van de stad zijn gevestigd. Met een oppervlak van 1400m2, haar industriële look en smetteloze witte wanden, lijkt de ruimte meer op een Kunsthalle dan een commerciële galerie. De stank van afval en rottend vlees die af en toe voorbij komt, doet hier nagenoeg niets aan af. Tot de opening van het BAC in 2009 was Sfeir-Semler de enige tentoonstellingsruimte van enig formaat waar in Beiroet hedendaagse kunst te zien was. Eigenaar Andrée Sfeir-Semler heeft oog voor aankomend talent en gevestigde namen, en vertegenwoordigt top-kunstenaars uit de Arabische wereld.

In 2010 opende de Solidere Company een eigen cultureel centrum aan de promenade in Beirut, het Beirut Exhibition Center. Solidere, dat onderdeel is van het Hariri-familiebedrijf ligt onder vuur van intellectuelen en wordt bekritiseerd vanwege haar controversiële wederopbouw van het oude, door de burgeroorlog gehavende centrum van Beirut. De artistieke visie van het BEC is zacht gezegd, obscuur en eclectisch, en de kwaliteit van de tentoonstellingen is wisselend. Maar, ook al wordt het BEC door veel mensen in de Libanese kunst scene met argusogen bekeken, het centrum verdient credits voor het introduceren van andere tentoonstellingsmodellen en voor het opnieuw onder de aandacht brengen van Libanese modernistische kunstenaars zoals Saloua Raouda Choucair, die afgelopen jaar ook een solo had in het Tate Modern, Shaffic Abboud en Paul Guiragossian.

In een stad waar weinig animo is om zich bezig te houden met de recente geschiedenis, simpelweg omdat de wonden nog te vers zijn, kan de neiging bestaan om de artistieke erfenis van voorgangers te vergeten. Salah Barakat, kunstkenner en eigenaar van de Agial Gallery, is een van de mensen die probeert om de balans tussen het artistieke heden en verleden te herstellen en heeft zich opgeworpen als fervent promotor van de Moderne Arabische schilderkunst. Ook het tentoonstellingsprogramma van de twee splinternieuwe tentoonstellingsruimtes van de Amerikaanse Universiteit in Beiroet, zal bijdragen aan het opvullen van de vele kunsthistorische hiaten; in de ene ruimte, off campus, wordt aandacht besteed aan de moderne kunst collectie van de universiteit, en in de andere ruimte die is gevestigd op de campus, staat de hedendaagse kunst centraal.

Off campus Gallery, American University in Beirut
Exhibition Profiles: Collecting Art in Lebanon, AUB Gallery (off campus), (2013)

_

Net als de meeste andere overheidsinstellingen in het land, is het Libanese ministerie van cultuur dysfunctioneel en ongeorganiseerd. Dit betekent veelal dat kunstenaars en organisaties afhankelijk zijn van particuliere organisaties, mecenaat en buitenlandse financiering om hun activiteiten te kunnen blijven voortzetten. De teruglopende financiële steun vanuit het Westen als gevolg van de economische crisis en de benarde status van de nationale economie als gevolg van de oorlog in Syrië, maakt dat Libanese kunstinstellingen kwetsbaar en precair zijn. Desalniettemin lukt het een aantal instellingen om met minimale middelen zeer vernieuwende programma’s te realiseren. Het programma met publieksactiviteiten van kunstenaars-onderzoekscollectief 98 weeks, opgericht door de twee nichten Marwa en Mirene Arsanios, of het jaarlijkse experimentele muziekfestival Irtijal, zijn goede voorbeelden. Voor wie niet te ver kijkt, is Beiroet een kosmopolitische en dynamische stad waar van alles gebeurt qua kunst, trendy bars en een fantastisch uitgaansleven. Maar wie dieper graaft, wordt geconfronteerd met een onderstroom van voortdurende bedreiging die opborrelt uit de diepe, sektarische kloof in het land, de verlamming van de institutionele infrastructuur en instabiliteit in de regio. De oorlog in Syrië legt een enorme druk op het kleine Libanon. Niet alleen wat betreft de stroom vluchtelingen, maar ook het geweld dat de grens over komt. Keer op keer is het doorzettingsvermogen van Libanese kunstenaars en kunstprofessionals op de proef gesteld om zich te kunnen handhaven in instabiele situaties. En hun volharding en wilskracht om door te gaan verdient op zijn minst erkenning.

 

*: De titel “Beirut Again and Again” is ontleend aan de solotentoonstelling van de schilder Ayman Baalbaki uit 2010, met als onderwerp de tumult die dagelijkse leven in een beschadigde stad zoals Beirut tekent.

Nat Muller is een onafhankelijke curator en criticus uit Rotterdam. Haar belangrijkste interesses omvatten media kunst en hedendaagse kunst in en uit het Midden-Oosten. Nat publiceert regelmatig in tijdschriften als Springerin en MetropolisM, en in Bidoun, ArtAsiaPacific en Harper’s Bazaar Arabia. Zij stelde video en filmprogramma’s samen voor internationale projecten en festivals, waaronder het IFFR. Ook cureerde zijn internationaal tentoonstellingen waaronder Spectral Imprints in opdracht van de the Abraaj Group Capital Art Prize 2012 in Dubai.

Fotografie Nat Muller; tekst vertaald uit het Engels

museumarchief verslag januari 20th, 2014

CSI Amsterdam

Willem_bieb_CSI
Willem van Beek is medewerker bibliotheek in het Stedelijk Museum. Op een dag krijgt hij een verzoek van het BBC-programma Fake or Fortune, dat op zoek is naar de echtheid van een schilderij van Edouard Vuillard. Willem ontdekt veel meer dan de makers voor mogelijk hielden.

We krijgen in de bibliotheek – de derde bibliotheek van moderne kunst in Europa – de meest uiteenlopende vragen. Zowel in de leeszaal als per telefoon en via de mail. Daar zitten leuke, interessante en soms ook heel verrassende tussen.

Zo kregen we enige tijd geleden een mail van een researcher van het BBC-programma Fake or Fortune. Daarin wordt een speurtocht à la CSI ondernomen om uit te zoeken of een kunstwerk echt het origineel van een bekende kunstenaar is.

Read More »

Tags