Jongkinds, vals en echt
Maurice RummensLang bevatte de collectie van het Stedelijk Museum zeven aan Johan Barthold Jongkind (Latrop bij Denekamp NL 1819 – La Côte-Saint-André FR 1891) toegeschreven schilderijen. En lang was de toeschrijving van twee daarvan, Maannacht en Riviergezicht met schepen, zeer omstreden. Jongkind-kenner John Sillevis en de samenstellers van de oeuvrecatalogus oordeelden. Tevoren onderzochten het restauratieatelier en de afdeling Documentatie en Onderzoek deze twee probleemgevallen.

John Sillevis beoordeelt de Jongkinds van het Stedelijk.
Op de voorgrond, met molen, de vervalsing Maannacht
Nieuwe levensechte effecten
Pioniers van de moderne kunst beschouwden Jongkind als grote voorloper. Claude Monet, pionier van het impressionisme, schreef over hem: ‘Hij was […] mijn eigenlijke leermeester, en het is door hem dat ik echt heb leren kijken.’ Paul Signac, baanbreker van het pointillisme, typeerde Jongkind in 1891 als een voorloper van schilders als Renoir, Pissarro en Cézanne. In 1927 wijdde Signac een boek aan Jongkind, waarin hij de moderne aspecten van diens werk benadrukte. Hij noemde hem de eerste die niet langer min of meer egale kleurvlakken schilderde, maar de dingen opbouwde uit een veelheid aan duidelijk zichtbare toetsen en penseelstreken in verschillende kleuren. Op die manier bereikte hij nieuwe levensechte effecten.
Vervalsingen
Ook Maannacht en Riviergezicht met schepen vertonen opvallende verfstreken, maar die weerspiegelen vooral onbeholpenheid. Sillevis typeert beide werken als Jongkind-vervalsingen, zoals die al vroeg, namelijk vanaf 1875, werden gemaakt. Zo is Maannacht volgens hem ‘met grote stappen snel thuis’ geschilderd. De wolken zijn niet transparant zoals bij Jongkind, het lijken wel oliebollen. De schilder is een meester van het tegenlicht. Daarvan valt hier niets te bespeuren: het zeil bijvoorbeeld is donker van kleur tegen een donkere lucht. De molen staat niet echt in het landschap. De wieken zien eruit alsof Don Quichote juist voorbij is gekomen, aldus Sillevis. De compositie is niet spannend genoeg voor een Jongkind. Hij zorgde altijd voor een goede opbouw, ook in zijn kleine schetsen. Zelfs op zijn slechtst schilderde Jongkind beter. De dikke verniskoek is een beproefde vervalsertruc om het schilderij authentieker te doen lijken. Doordat het op een ander doek is geplakt, geeft de achterkant geen geheimen prijs.

Johan Barthold Jongkind, Uitvarende zeilschepen, 1861
‘Oersoep’ van het modernisme
Vergelijk het met Uitvarende zeilschepen (1861), een onbetwiste Jongkind, net als de vier andere schilderijen in de collectie, waarvan La maison du maître Adam Billaud à Nevers (Het huis van meester Adam Billaud te Nevers, 1874) het bekendste is.

Johan Barthold Jongkind,
La maison du maître Adam Billaud à Nevers, 1874
Anders dan Maannacht en Riviergezicht met schepen, staan deze alle vermeld in de Franse oeuvrecatalogus van de schilderijen. De compositie van Uitvarende zeilschepen is uitgebalanceerd, de lichtval op de zeilen is geraffineerd en de schepen lijken echt in het water te liggen. Door de levendigheid die dit schilderij uitstraalt, wekt het de indruk buiten te zijn geschilderd. Maar met uitzondering van de aquarellen, zijn de meeste Jongkinds binnen gemaakt. Sillevis prees de kunstenaar om de wijze waarop hij hier kabbelend water suggereerde: met de duidelijk zichtbare penseelstreken waarover Signac hierboven sprak. Het is een voorbeeld van de ‘oersoep’ waaruit het modernisme ontstond waaraan het Stedelijk is gewijd.
Maurice Rummens, wetenschappelijk medewerker
Foto’s: Louise Wijnberg

