Journal
Geen categorie 8 maart, 2017

Alles te verliezen behalve onze ketenen

Colored sculpture en Female figure roepen verwoesting op uit het verleden, het heden en de toekomst. Beide zijn tijdmachines: deze in ketenen verstrikte jongen die op de grond valt, maar toch over een eigen wilskracht en energie lijkt te beschikken, en dat meisje met haar supergladde, subtiel swingende ledematen en achter het masker verscholen ogen zijn gestolde geschiedenis. Op het lichaam van beiden treedt uit het verleden het half gefluisterde, half verstane, gemuteerde en gemutileerde erfgoed van de romantiek aan de oppervlakte. Poppen uit de romantiek, prachtige vrouwelijke robotbewegingen, filosofieën over wilskracht en doelgerichtheid, angst voor mechanisatie en vervoering over het mysterieuze, fascinatie met het zielloze en het geanimeerde, met kunstmatigheid en authenticiteit, oppervlakkigheid en diepgang, subject en object, gratie en zwaartekracht, erkenning van ambivalentie, van tegengestelden die elkaar opladen in een krachtenveld ˗ al die dingen worden opgeroepen door deze harde lichamen die zachtheid uitstralen.

 

De vallende jongen, ‘gekleurde sculptuur’, een naam die een eerbetoon is aan de kinderlijk onschuldige vormen uit de Oudheid die betoverende kleuren hadden voordat slijtage en misverstand hun intrede deden,  smakt tegen de grond maar blijft daar nooit uitrusten, staat altijd weer op, hoeft niet op de grond te blijven liggen om bij te komen van zijn inspanningen, laat zich niet neertrekken als een mens, raakt niet gewond en voelt zich niet vernederd. Hij valt, net als in een tekenfilm, maar staat telkens weer op, alsof het verleden niet heeft plaatsgevonden. Hij beweegt zich met gratie of als een natuurkracht, maar nooit gekunsteld of zelfbewust. Altijd zoals het moet zijn, niet zoals het zou kunnen zijn. Female figure kan haar benen niet opheffen. Die hangen aan haar lichaam en gehoorzamen aan motorische krachten. Ontdaan van andere berekenende overwegingen en op effect beluste pogingen tot charmeren is ze het product van de fysica, net als Kleists Marionette uit 1804 en net als Olympia van Hoffmann.

De ogen van de pop – ziend en niet-ziend – trekken onze blik dwingend naar zich toe. De danseres die zichzelf strak aankijkt in de spiegel als er niemand anders is om strak aan te kijken, maakt de beschouwer des te meer tot een beschouwer, zich bewust van het kijken en bekeken worden. Ogen – bestaat er iets nog crucialers voor romantici –, die spiegels van de ziel, waar geliefden zich graag in verliezen, deze vectoren van individualiteit en diversiteit en van meester-slaafachtige vragen van herkenning, deze organen die het sublieme opzuigen en zich niet kunnen afwenden, zoals toen Kleist Mönch am Meer van Caspar David Friedrich zag en zei: ‘Het is alsof je oogleden zijn weggesneden.’

Het ideaal van bezeten verlangen is, volgens Walter Benjamin, de pop of de marionet, of, corrigeert Benjamin zichzelf: ‘Moet dat eigenlijk het lijk zijn?’ Het verlangen fixeert zich op het onbewogen object, dat door de geliefde deze betekenisvolle bekentenis in het oor gefluisterd krijgt: ‘Wat kan het jou schelen dat ik van je hou.’ Female figure is verlangen dat gelijkstaat aan de dood. Dat is bijna overduidelijk. De seksualiteit van deze figuur grenst aan het afstotelijke met haar witte, groezelig geworden jurkje, haar Medusa-ogen, haar puntige tanden die ogen kunnen uitrijten, haar – zijn – praat over de dood, haar eindeloze, tijdloze herhalingen van gebaren, gevangen op één plek, ten eeuwigen dage op de slopende tredmolen. Het blonde haar van Female figure is, net als de muziek, een fatale track. In de meester-slaafdialektiek van Hegel besta ik slechts in de ogen van een ander. Maar het ik buiten mezelf dat me erkent, dreigt me door die bevestiging tevens te vernietigen. Dit zijn blikken van liefde en dood.

Er bestaat ook een nabijer verleden, dat van de Amerikaanse popcultuur, of het nu gaat om Howdy Doody of het popicoon. Op de schermen, die ogen nu eenmaal zijn, flitst van alles en nog wat voorbij, alles wat ooit geweest is kan voorbijkomen, heeft zich vluchtig op onze schermen vertoont, met inbegrip van onze eigen ogen. Een dergelijke absorptie en pracht heeft de voorliefde van post-internet-kunst. Het lichaam van Colored sculpture bevat elementen van Huckleberry Finn, Alfred E. Neumann en Howdy Doody. Simpele zorgeloze zielen, hun lichaam en ziel getekend door de macht van de natie ˗ Huckleberry ís simpelweg Amerika, of in elk geval het zuiden, dreigend en hartelijk, en de mascotte van Mad Magazine, Alfred E. Neumann, is een ongrijpbaar icoon van de Amerikaanse commerciële cultuur. En Howdy Doody heeft achtenveertig sproetjes in zijn gezicht, één voor elke staat van de Amerikaanse Unie in de jaren vijftig. Een vergane tijd, arbeid van vroeger overvleugeld door intellect, samengebald in dit lichaam. En ook elk popicoon, elk meisje dat ooit een selfie heeft gemaakt, elke beroemdheid. We weten immers hoe oppervlakkig hun schoonheid is, hoe gekunsteld en geconstrueerd, en Female figure dwingt ons ertoe die realiteit onder ogen te zien. Hier dient zich een oude waarheid aan: we worden er al heel lang door verblind.

Er sprankelt ook toekomstige verwoesting in de ogen van de gestalte, die schermen zijn. De ogen, de schermogen, lokken ons mee naar de wereld van de toekomst, die een van de afleesbare vlakken is. Af te lezen door robots, calculators die bezig zijn met doorlichten, bijhouden, verwerken, herkennen, registreren en vergelijken. Een circuit tussen robotogen en uitvergrote, kleurrijke informatievormen van het vloeibaar kristallen stadsleven uit de virtuele werkelijkheid, vormgegeven door de nazaten van Google Glass, HoloLens, Project Morpheus en Oculus Rift – oculus – het oog als opening, het oog als venster op de wereld, die nu een glazen, bruisende gemeenschap van vloeibare kristalimpulsen is. Deze door LCD kijkende robots voeren ons mee naar een toekomst die zich nu al aandient door affectieve computers. Colored sculpture heeft een mond die niet beweegt, een starre grimas. Hoe zal die worden geïnterpreteerd door de geletterde machine in een tijdperk waarin de glimlach, de lach, de blik, signalen van de emotionele toestand, op nieuwe manieren worden aangewend? De affectieve signalen van de mens worden omgezet in actieve elementen, verschaffen data in een helse, diabolische looping, een duivelse ontwikkeling in digitaal bio-politiek management, waar zoiets als ‘emotioneel werk’ bestaat.

Female figure glimlacht niet. Ze mompelt als een verdwaasde vrouw, of man, gaat volkomen op in het contempleren van zichzelf, met als uitzondering haar vermogen om buiten zichzelf iets te kunnen bespeuren, om een klein deel van zichzelf te kunnen onttrekken aan dagdromen en zelfbespiegeling voor image-management, en dat deeltje te wijden aan het gadeslaan van de ander, van het publiek, om te bewerkstelligen dat er naar haar gekeken wordt, want ongeacht hun emotionele toestand is het de aanwezigheid van de aanbidders – decorstukken – die telt. Dit toekomstbeeld laat ons zien dat de fans, het publiek, onderling uitwisselbaar zijn. Dit dansende, beweeglijke, verbazingwekkende, onvermoeibare lichaam, dat nooit een foutje maakt, wijst ons op onze overbodigheid, op seksbots, op het eind van de vrouw, op het eind van de mens, en verbant ons, als we geluk hebben, naar een wereld met een universeel basisinkomen, waarin we alleen nog consument zijn, smeermiddel van het systeem dat ten koste van alles moet blijven functioneren.

De moderne tijd manifesteert zich in deze kunstwerken door de trefzekere toepassing van de beschikbare technologieën, door hun aantrekkingskracht op de kunstmarkt die verstand heeft van hoog en laag, van wat er goed uitziet en goed klinkt als een upload van social media, hoe meer op effect gericht des te beter, hoe bezienswaardiger, hoe gênanter des te fascinerender. In de figuren is een heden ingevoegd dat zichtbaar wordt onder de verontrustende gloed van hedendaagse, populistische volksverlakkerij. In onze wereld is geweld de vrijelijk in en uit stromende valuta, waarbij jezelf kastijden en gekastijd worden, haat en pijn waar geen eind aan komt, niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Door een robot te worden verander je in het object dat je vervangt, maar het maakt je ter zelfbescherming ook tot iets wat onberoerd blijft, zelfs als je wordt mishandeld en met vuil besmeurd.

‘Ik had het gevoel dat ze relatief ongedeerd aan iets ontkomen was, zonder verwondingen en blauwe plekken, alleen vies was geworden.’ Dat zei Jordan Wolfson over Female figure. Waaraan is ze ontkomen? Wat is het dat haar bedreigt, maar nog niet fataal is geworden? Zouden wij er ook aan kunnen ontkomen, ons kunnen harden tegen dat onbestemde iets wat, in elk geval in de Amerikaanse gedaante, ongetwijfeld alles is wat de esthetiek van Wolfson uitschreeuwt: het iets wat onbeschaamd is, pop, gemeen, sarcastisch, beschamend, trendy, absurd, clichématig, overprikkeld, vol haat, gekweld, een practical joke, post-ironisch, alfamannetje, bètazakkenwasser. Dit is nu. Dit is Amerika. Dit is Europa. En wat we voor ons zien, deze poppen, deze Mr. and Mrs. America zijn niet van plan zich af te vragen hoe menselijk zij zelf zijn, eerder hoe robotachtig wij nu zijn. Bespeeld door onze verlangens en apparaten. We zijn minder en minder. We verliezen. We verliezen onze banen.  Verliezen onze zekerheid. Verliezen onze rechten. Verliezen onze landen en onze continenten. Verliezen onze planeet. Verliezen ons gezonde verstand. Verliezen onze solidariteit. Verliezen onze menselijkheid. Verliezen onze natuur. Verliezen alle relaties die ons hier op aarde houden en ons ijkpunt vormen. Deze poppen, robots, avatars, de een op haar plaats gehouden door een danspaal waarmee ze een eenheid vormt, de ander hangend aan rinkelende ketenen die hem omhoogtrekken als een vogel en die daarna als stalen water omlaag stromen, die twee beelden in dansvorm uit dat wij, wij beschouwers, wij kopers, wij nieuwe, oude en hedendaagse mensen alles te verliezen hebben behalve onze ketenen.

Tags

Geef een reactie