Journal

Category: Global Collaborations

Uncategorized February 5th, 2014

Artist-in-Residence: Bernard Akoi-Jackson

Als onderdeel van het meerjarige Global Collaborations programma, heeft het Stedelijk Museum de Ghanese kunstenaar Bernard Akoi-Jackson uitgenodigd als artist-in-residence. In samenwerking met de Blikopeners van het Stedelijk Museum zal Akoi-Jackson het komende jaar een project ontwikkelen rondom thema’s als cultuur en identiteit. De Blikopeners zijn jongeren in de leeftijd 15-19 jaar met een frisse kijk op kunst. Zij vertegenwoordigen uiteenlopende achtergronden, studie-richtingen en komen uit verschillende delen van Amsterdam. De Blikopeners verzorgen rondleidingen en geven het museum advies over verschillende aspecten van het museum. Bram Verhoef, zelf aanstormend kunstprofessional, interviewde Akoi-Jackson om meer te weten te komen over zijn plannen.

_

Bernard Akoi-Jackson, [titel]

Bernard Akoi-Jackson, Greyman (2012)

Bernard Akoi-Jackson is een internationaal gerenommeerde kunstenaar uit Ghana. Tijdens zijn opleiding aan de KNUST  kunstacademie van Kumasi was hij vooral bezig met schilderkunst, maar gebruikte tegelijkertijd meer dan alleen de mogelijkheden van het schildersdoek. Zo is in zijn installaties, performances, video’s en foto’s participatie met het publiek van groot belang. Akoi-Jackson maakt veel gebruik van alledaags materiaal: hij vergroot alledaagse handelingen uit tot rituelen, manipuleert teksten die hij tegenkomt en speelt met de symbolische waarde van kleur. In 2012 nam Akoi-Jackson deel aan de groepstentoonstelling Time, Trade, Travel  in het SMBA. Terugkerend thema is zijn zoektocht naar begrippen als identiteit en originaliteit en de vraag hoe wij binnen onze samenleving een waardeoordeel construeren rondom deze begrippen. Wat betekent het om Nederlands te zijn, en wat om Ghanees te zijn? Welke rol speelt onze geschiedenis hierin? Akoi-Jackson benadert deze vragen op een kritische maar joviale manier waarbij hij de kijkers een spiegel voorhoudt.

Akoi-Jackson heeft een hart voor educatie. Het is niet alleen een essentieel onderdeel van zijn kunstpraktijk; Akoi-Jackson geeft ook les op de Tema International School, a Ghanese middelbare school dichtbij de hoofdstad Accra, waar hij jongeren graag in contact brengt met kunst.

Bram Verhoef:Installation in tentoonstelling Time, Trade, Travel, SMBA (2012)

Bernard, kun je misschien iets vertellen over de rol die kleur speelt in je werk?

Bernard Akoi-Jackson:

In mijn werk gebruik ik vaak de kleur rood. Zo is een van mijn werken gebaseerd op het Engelse gezegde ‘seeing red’. Dit kan letterlijk vertaald worden als ‘het zien of observeren van de kleur rood’, maar ook als boos of geïrriteerd zijn. Voor mij zijn dit geen negatieve emoties; boosheid en irritatie kunnen juist ingezet worden om actie te ondernemen en iets positiefs te bewerkstelligen.

In een ander project ging over ‘red tape’, oftewel bureaucratische rompslomp. In de performance Red Tape on Bottleneck speelde ik met het verschijnsel bureaucratie in voorheen gekolonialiseerde landen zoals Ghana. Voor mij is dit een doelloos, hedendaags ritueel waar we collectief aan meedoen. Mijn intentie met deze performance was om samen met het publiek een collectief narratief te creëren, waardoor het werk niet alleen door de kunstenaar gemaakt wordt, maar samen met het publiek. Deze twee projecten vormen het startpunt voor mijn project met de Blikopeners in het komende jaar.

BV: In je werk gebruik je regelmatig Vlisco stoffen. Waarom kies je ervoor om dit specifieke fabricaat te gebruiken?

BA-J: Dit is een textiel dat van origine uit Indonesië komt, ook wel bekend als batik, of Dutch wax. Tegenwoordig wordt het geproduceerd en verhandeld door een Nederlands bedrijf, Vlisco, en is het erg populair in veel Afrikaanse landen. In een serie foto’s getiteld uit 2012, gebruikte ik de stof om verschillende rollen uit een collectieve, koloniale geschiedenis uit te vergroten. De foto’s waren het resultaat van een performance waarin ik deze verschillende rollen, of identiteiten, als karikaturen neerzette. Elke identiteit was gekleed in zijn eigen stof, met zijn eigen kleur en uitstraling. De onderliggende vraag is natuurlijk: Wiens eigendom is dit product nu, tot welke cultuur of identiteit behoort dit?

BV: Wat zijn je plannen voor je residency in het Stedelijk Museum?

BA-J: Tijdens mijn residency in het Stedelijk wil ik voortborduren op de ideeën uit  eerdere projecten. Het doel van een initiatief als de Blikopeners – het openen van de blik van het publiek – vormt een belangrijke invalshoek. Daarnaast zou ik in het kader van ‘Global Collaborations’ graag een culturele uitwisseling faciliteren. Bijvoorbeeld door de Blikopeners in contact te brengen met mijn studenten uit Ghana, om zo het potentieel dat wereldwijde samenwerking biedt, volledig te benutten en een dialoog op gang te brengen. Ook wil ik de plek die het Stedelijk is en inneemt als museum, als inspiratiebron gebruiken.

Bernard Akoi-Jackson with Blikopeners

BV: Wat is de rol van de Blikopeners in dit project?

BA-J: De rol van de blikoperers begint er mee dat ze democratisch meebeslissen over de aard van het project en het proces. Daarbij voeden ze mij door middel van ideeën en kritieken. Hier ga ik vervolgens mee aan de slag door een plan op te stellen. De Blikopeners zijn de deelnemers van het kunstproject. Ze werken mee bij de voorbereiding en uitvoering. Ze helpen bijvoorbeeld mee bij het creëren van het werk, worden de performers, of vormen levende sculpturen.

BV: Wat is voor jou de betekenis van participatie in een project als dit?

BA-J: Alle uitwisseling tussen mensen zie ik als een verbintenis, via uitwisseling participeren we met elkaar. Waar vroeger schilders hun eigen spullen prepareerden, wordt verf nu gefabriceerd. Dit is ook al een vorm van participatie: de kunstenaar is niet langer degene die alleen al het werk verricht, er zijn ook andere mensen bij het proces betrokken. Dit geldt ook voor het proces van betekenisgeving van een kunstwerk. Een kunstwerk is niet de creatie van een enkele kunstenaar, maar een narratief van een aantal co-auteurs. Zonder dit gezamenlijke verhaal heeft een werk geen waarde. Iedereen brengt zijn stem in, de een luider dan de ander, en zo wordt collectief de betekenis van een werk gecreëerd. We zouden het als een recht mogen zien, een fundamenteel recht, om mee te werken aan de totstandkoming van het verhaal, maar dit recht betekent ook dat we  hier allemaal een verantwoordelijkheid voor dragen. Participatie draait niet om het beledigen of het confronteren. Het moet juist joviaal zijn, het moet relaxed zijn om aan deel te nemen. Ik vind het interessant deze gedachtegang over te brengen op de Blikopeners, zodat zij dit weer door kunnen geven aan de bezoeker.

BV: Wat is de betekenis van deze ideeen over participatie op globale schaal?

low res_Stedelijk_2013-12-12_Opening-Blikopener-Spot_Tomek-Dersu-Aaron_009

B-AJ: Het feit dat er een globale samenwerking is betekent vooral het kijken naar overeenkomsten en verschillen. Voor mij geldt: het maakt niet uit hoe verschillend je denkt te zijn, of hoe anders de culturele achtergrond lijkt, het komt uiteindelijk op hetzelfde neer. Vooral bij jongeren gaat de culturele achtergrond een steeds kleinere rol spelen, door bijvoorbeeld het internet. Zo is het voor mij ook in kunst. Op het moment dat je dingen tot extremen brengt, ga je vooral overeenkomsten zien. Dit is een functie van kunst die ik koester. Door je af te vragen of de manier waarop je kijkt genuanceerd is, en door steeds opnieuw te kijken, zal de manier waarop je kijkt veranderen. Hiermee verandert ook de manier waarop je jezelf informeert en naar de wereld kijkt. Dit is hoe je nieuwe dingen leert en nieuwe ervaringen opdoet.

De Blikopeners die hebben deelgenomen zijn Jan, Kayleigh, Joe, Helinda, Janne, Chris, Sa-Ra, en Robin.

Bram Verhoef studeert Educatie in Beeldende Kunst en Vormgeving aan de Willem de Kooning Academie te Rotterdam, en is vooral nieuwsgierig naar de vraag hoe de relatie tussen kunst en publiek versterkt kan worden. Bram heeft meegewerkt aan de ontwikkeling en uitvoering van verschillende kunst-educatieve projecten, en zal voor de Global Collaborations Journal in het komende jaar het artist-in-residence project van Bernard Akoi-Jackson volgen.

Uncategorized January 23rd, 2014

Beirut Again and Again*: A Journey through the Lebanese Art Scene

After a fruitful collaboration between the SMBA and KUNCI in Yogyakarta, which resulted in the exhibition and publication Made in Commons, part two in the Global Positions series will focus on the Beirut region. For this project SMBA invited curators Nat Muller and Angela Harutyunyan to develop an exhibition, publication and public program that will take place in both Amsterdam and Beirut. Global Positions II will be organised and hosted in collaboration with the Beirut artist run organisation 98 weeks. Leading up to the exhibition, which will open this Fall, Nat Muller shares her insights into the Beirut art scene.

_

Beirut - 12 July, 2006. First day of the 2006 July war with Israel.

Beirut – 12 July, 2006. First day of 2006 July war with Israel

I remember vividly the first time I travelled to Beirut for a curatorial research project. It was February 16th 2005, two days after Prime Minister Rafiq el Hariri was blown up in a massive car bomb. My plane was empty, as were the streets of Beirut upon arrival. The assassination of Hariri prompted a flurry of demonstrations that resulted in the withdrawal of the Syrian army from Lebanon after a 29-year presence. Over the course of three weeks I met most artists, curators and art practitioners during demonstrations and vigils. It was a crash course in Lebanese politics and to this day it reminds me how in Lebanon the production of art is intricately intertwined with the past and the present, political history, the wounds of the Civil War (1975-1990), individual and collective memory – or the lack thereof. The short-lived “Cedar Revolution” following Hariri’s death redefined the balance of power in Lebanon, but did not bring an end to its sectarian divisions. On the contrary, tensions between groups in Lebanon have only grown since then and persist until today. Nevertheless, the Syrian pullout did occasion a lot of investment from the Gulf and from the Lebanese diaspora, which led to a construction boom, inflated prices and the unfortunate sell-out of Beirut’s architectural heritage. Many of its beautiful Ottoman mansions were knocked down to make place for yet another eyesore of a skyscraper. For better or worse, Lebanon was back on the map.

_

3ArtFactum_4WalidRaad

Solo exhibitions by Lamia Joreige at Art Factum Gallery, and Walid Raad at Sfeir-Semler Gallery (both 2013)

In this uncertain climate, the small but vibrant Lebanese art scene thrived. Due to the political instability it developed primarily as an event-based culture. Lebanese artists, particularly those who came of age during the Civil War such as Walid Raad, Akram Zaatari, Joana Hadjithomas & Khalil Joreige, Lamia Joreige and Rabih Mroué, made furore in the international art world. Their work has largely been pre-occupied with a coming to terms with the aftermath of the Civil War and an interest in individual and collective history, memory and amnesia, the archival, and the politics of representation (after disaster). An interest in the archival is also a driving force for organisations such as the unique Arab Image Foundation, around since 1997, that studies and preserves the photographic heritage of the Middle East and North Africa, and Umam D&R, founded in 2004, a non-profit located in the Southern suburbs of Beirut, dedicated to the archiving and study of Lebanon’s national past and the memory of its Civil War.

_

Mounira al Solh, detail video installation Dinosaurs (2013)

Mounira al Solh, detail video installation Dinosaurs (2013)

Recently, a younger generation of artists, all in their early to mid-30s, have stepped in. Building on the thematics and visual language of their more senior colleagues, these artists bring humour, pop culture, and an understanding of the expectations and pressures of the local and international contemporary art world into the mix. Examples are Mounira al Solh, Raed Yassin, Ziad Antar, Ali Cherri, and the popular painter Ayman Baalbaki. Whereas the practices of the post-Civil War generation are primarily image-based (video, film, photography) artists such as Rayanne Tabet, Danielle Genadry and Stephanie Saadé’s work is material-driven in terms of concept and execution.

Art Institutions and Organisations

The leading arts organisation in Beirut is Ashkal Alwan, Lebanese Association of Plastic Arts co-founded 19 years ago and still headed by the indefatigable Christine Tohme. Its series of festivals and events, and its highly anticipated bi- to tri-annual event Home Works: A Forum for Cultural Practices not only highlight urgent artistic and socio-political topics, it also functions as a cultural and political thermometer of the region. In fact, Home Works, now in its 6th edition, has been the platform where over the years I have learned most about the Middle East and North African art world, not only because of its programming, but also because it is an excellent place to meet artists and art workers from the region. In 2011 Ashkal Alwan opened its Home Works Space, a 2000m² facility in Beirut dedicated to arts education and production.

_

Work by Raed Yassin, Beirut Art Space (2009)

White cube arts spaces and exhibition venues are a rarity and also a novelty in Beirut. The Beirut Art Center (BAC), run by artist Lamia Joreige and the director of the now obsolete semi-commercial art and design space Espace SD Sandra Dagher, opened its doors in 2009. It offers an elaborate public program, solo exhibitions by internationally established regional artists such as  Mona Hatoum, Wael Shawky and international figureheads such as Gerhard Richter and Harun Farocki. The BAC also hosts the annual Exposure exhibition that showcases emerging talent in and from Lebanon. The importance of a physical space for contemporary art in Beirut should not be underestimated. Being subjected to an unstable and unpredicatable environment has made Lebanese artists and curators experts in dealing with ad hoc situations and in creating alternative organisational and presentation models that can accommodate disruption and dislocation. However, the resulting event-oriented art scene does enhance fragmentation in an already fragmented city. By giving contemporary art bricks-and-mortar homes, different practices are placed in a wider perspective and a larger art-historical context.

_

Work by Marwan Rechmaoui at the not yet renovated Home Works Space, panel discussion at HomeWorks 5 (2010)

A completely different force in the Lebanese and regional art scene is the Sfeir-Semler Gallery that inaugurated its Beirut branch in addition to its Hamburg gallery in 2005. Located in Beirut’s industrial Karantina area, the site of multiple massacres during Lebanon’s Civil War and now home to the Sukleen garbage disposal facility and the city’s slaughterhouse, the 1400m2 industrial pristine white-walled space resembles more a Kunsthalle than a commercial art space, despite the occasional whafts of waste and decaying meat outside its walls. In fact, until the opening of the BAC, Sfeir-Semler was the only sizeable artspace in Beirut showing contemporary art. Its owner Andrée Sfeir-Semler has a keen eye for emerging and established talent and boasts some of the best contemporary artists from the Arab world in her roster.

In 2010, the Hariri-owned Solidere Company, oft maligned by intellectuals and much criticised for the controversial reconstruction of post-Civil War Downtown Beirut, opened its own space, the Beirut Exhibition Center on the seaside. The curatorial mission of BEC is obscure and eclectic to say the least, and the quality of the shows is not exactly consistent. Still, even if regarded with suspicion by many in the Lebanese art scene, BEC deserves credit for expanding the scope of exhibition-making and for re-introducing the work of Lebanese modernists such as Saloua Raouda Choucair, who had a solo at Tate Modern this spring, Shaffic Abboud, and Paul Guiragossian. In a place where there’s little appetite to engage with contemporary history because wounds still run too deep, there can be a tendency to overlook artistic predecessors. Here art expert and owner of Agial Gallery, Saleh Barakat has tried to right the balance and over the years has been a vocal advocate for modern Arab painting. In addition, the brand new galleries of the American University in Beirut one located off campus focusing on the university’s modernist collection, and one on campus dedicated to contemporary art, also will contribute to filling in the many art historical gaps.

_

Off campus Gallery, American University in Beirut

Exhibition Profiles: Collecting Art in Lebanon, AUB Gallery (off campus), (2013)

Lebanon’s ministry of culture, like many other governmental institutions in the country, is completely dysfunctional. This leaves artists and organisations dependent on private foundations, patronage and foreign funding to keep their operations afloat. Dwindling funding from the West because of the economic crisis, and the pitiful condition of the Lebanese economy due to the war in Syria leave Lebanese art organisations precarious and vulnerable. Nevertheless, with limited means some inventive programming is achieved. For example, the public events programs by the artistic research collective 98 weeks, founded by cousins Marwa and Mirene Arsanios, and the annual experimental music festival Irtijal are a case in point. On the surface Beirut feels cosmopolitan and dynamic with its many art offerings, trendy bars and terrific nightlife. Yet there is an undercurrent of continual threat that percolates up from the country’s deep sectarian divisions, its institutional paralysis and the regional instability. The war in Syria is putting a lot of pressure on tiny Lebanon not only in terms of refugees but also in terms of violence spilling over. Lebanese artists and art practitioners have acquired a resilience to cope with instability, again and again. If anything, this stubborn will to continue and do work, deserves recognition.

*: The title “Beirut Again and Again” is borrowed from the 2010 solo exhibition by painter Ayman Baalbaki that focused on the turmoil of living in a scarred city like Beirut.

Nat Muller is an independent curator and critic based in Rotterdam. Her main interests include media art and contemporary art in and from the Middle East. She is a regular contributor to Springerin and MetropolisM, and has published in Bidoun, ArtAsiaPacific and Harper’s Bazaar Arabia. She curated video and film screenings for projects and festivals internationally, including the IFFR, and exhibitions including Spectral Imprints for the Abraaj Group Capital Art Prize 2012 in Dubai.

All photographs by Nat Muller

Tags

Uncategorized December 11th, 2013

Made in Commons

Made in Commons is het eerste samenwerkingsproject in het kader van het driejarige Global Collaborations-programma van het Stedelijk Museum, waarin het museum een goed geïnformeerde blik wil vormen op de hedendaagse kunst vanuit een mondiaal perspectief.

De tentoonstelling en het activiteitenprogramma Made in Commons is het resultaat van de samenwerking tussen Stedelijk Museum Bureau Amsterdam, en KUNCI Cultural Studies Center in Yogyakarta, Indonesië. Voor deze tentoonstelling zijn tien in Indonesië en in Nederland gevestigde kunstenaars- en collectieven gevraagd om een nieuw werk te maken dat aansluit bij het centrale thema, de commons.Traditioneel verwijst het begrip commons naar de natuurlijke (hulp)bronnen die onder het gezamenlijke beheer van een gemeenschap of organisatie vallen en waarop geen afgebakende rechten bestaan, zoals bijvoorbeeld de oceaan, bossen, grasland, zonlicht, biodiversiteit et cetera. Kortom, hulpbronnen die gedeeld en gebruikt worden en waarvan iedereen kan genieten. Vandaag de dag wordt het begrip commons vooral gebruikt binnen een culturele context en de publieke sector, bijvoorbeeld voor literatuur, ons culturele erfgoed, kennis, onderwijs, open source software (zoals Wikipedia), de gezondheidszorg of de openbare ruimte.

_

Overzicht tentoonstelling Made in Commons

Overzicht tentoonstelling Made in Commons

De kunstprojecten in Made in Commons stellen elk op een eigen manier onderdelen van deze kwestie wat gemeenschappelijk en collectief is aan de orde, nodigen uit tot reflectie over eigendom, en zetten aan om actief deel te nemen aan het bezitten van een kunstwerk, het creëren van een theaterstuk, of het opwekken van energie. Een van de vragen die zowel in de werken als in praktijk van de kunstenaars centraal staat, is hoe wij als maatschappij vorm kunnen geven aan een gemeenschappelijk gebruik van onze hulpbronnen en welke relatie beeldende kunst heeft tot de commons.

Wok de Rock en Vincent Vulsma

Het project van de Indonesische kunstenaar Wok the Rock bestaat uit tientallen certificaten van authenticiteit en eigendom die in SMBA zijn gepresenteerd in houten vitrines. Na een open inschrijving zijn de eerste honderd mensen, verspreid over de wereld, collectief mede-eigenaar en medeauteur geworden van een kunstwerk: een uitnodiging voor een tentoonstelling gesigneerd door de Japanse kunstenaar Yasumasa Morimura. Dit gebaar van de kunstenaar om het auteurschap van het werk te delen, brengt niet alleen praktische problemen met zich mee, maar het wijst meer nog op het speculatieve karakter van intellectueel eigendom dat enkel door wetgeving als zodanig bestaat.

Installatie van Wok de Rock en Vincent Vulsma

Vincent Vulsma’s werk, 7 Nights, gaat op een andere manier in op eigendom. Zijn vloersculptuur bestaat uit zeven delen die door een Nederlands bedrijf zijn gemaakt dat ook matrassen met Talalay® natuurlatex fabriceert. Deze speciale matrassen worden op de Europese markt aangeprezen voor verbetering van de nachtrust. De rubber wordt in Indonesië echter ’s nachts getapt, wat ten koste gaat van de nachtrust van de arbeiders. Door informatie over het slaapritme van een curator in de latex te verwerken onderstreept Vulsma hoe een ogenschijnlijk onvervreemdbaar persoonlijk eigendom zoals slaap door economische verhoudingen alsnog verhandeld kan worden.

Papermoon Puppet Theater en Dušan Rodić

Papermoon Puppet Theater heeft bij de ingang van SMBA een Story Booth gemaakt. In deze kleine kamer wachten opa en oma, twee levensgrote poppen, zittend in hun stoel op bezoek dat met hen al spelenderwijs een verhaal kan maken. De uitnodiging om hen op te pakken is tegenstrijdig met de eeuwenoude Javaanse traditie van Wajang, waarbij de poppen niet aangeraakt mogen worden. Hiermee maakt Papermoon Puppet Theater een klein gebaar van grote symbolische waarde die het midden houdt tussen de decentralisering van geschiedschrijving en de verwerking van persoonlijke ervaringen.

_

Papermoon Puppet Theater, Story Booth,

Papermoon Puppet Theater, Story Booth,

In het werk Pulse van Dušan Rodić staat decentralisering – van een andere aard – ook centraal. Rodić heeft vier handgemaakte zonnepanelen op het dak geïnstalleerd en aangesloten op het elektriciteitsnetwerk van SMBA. Aan de muur hangt een monitor waarop te lezen is hoeveel kWh er zijn opgewekt. Iedereen met groene energie, ook SMBA, is minder afhankelijk van de grote energieproducenten, wat neerkomt op een eerlijkere verdeling van een energiebron die ons allen toebehoort.

Tita Salina / Irwan Ahmett en Maryanto

De werken van kunstenaarsduo Tita Salina en Irwan Ahmett, en van Maryanto gaan beiden over de gedeelde geschiedenissen van Nederland en Indonesië. Tita en Irwan hebben als vertrek– en historisch markeerpunt het publiekelijk hijsen van de Indonesische vlag op 17 augustus 1945 genomen. Hun installatie bestaat uit een 6 meter hoge Nederlandse vlag waarvan de verschillende banen verwijzen naar de vermenging van Indonesië en Nederland – van de aanwezige illegale migranten of de introductie van alternatieve geneeswijzen in Nederland, tot de Nederlandse gulden als valuta in Indonesië. Maryanto laat een serie van zwart-wit foto’s zien die zijn gemaakt in de koloniale tijd, als stimulans om deze gezamenlijke geschiedenis onder ogen te zien. De foto’s laten een heel specifiek zo niet eenzijdig beeld zien dat samenvalt met een zeer uitdrukkelijke, Nederlandse kijk op dit verleden. Op de opening verzorgde Maryanto een Selametan gezamenlijk eten onderwijl discussiërend met het aanwezige publiek over deze specifieke blik op de voormalige kolonie.

Jatawangi Art Factory en Maja Bekan

De bijdragen van Jatawangi Art Factory en Maja Bekan gaan over alternatieve handel in goederen. Deze alternatieve marktsystemen lijken eerder op menselijke relaties gebaseerd dan op economische factoren. Jatawangi Art Factory heeft een ruilmarkt opgezet in Jatiwangi waar mensen persoonlijke spullen kunnen uitwisselen. Deze objecten in de installatie The Common Goods Project zijn geïnventariseerd in een video waarin de oorspronkelijke eigenaar vertelt waarom hij of zij het object besloot weg te doen.

_

Installatie Paper Moon Puppet Theater en Maja Bekan

Installatie Paper Moon Puppet Theater en Maja Bekan

Het videowerk Golden Party van Maja Bekan is een meer dan twee uur durende registratie van een ‘thuisverkooppartijtje’ waar vrouwen op leeftijd – vriendinnen van Bekan’s moeder – allerlei onderwerpen behandelen terwijl zij een catalogus met schoonheidsartikelen doornemen. De video laat zien dat het in deze manier van zaken doen lastig is om onderscheid te maken tussen persoonlijke vriendschappen en zakenrelaties, privé en werk.

Read-in en Zhana Ivanova

Zowel het project Read-in, een initiatief Annette Krauss en Hilde Tuinstra, en het video- performancewerk van Zhana Ivanova onderzoeken de sociale en politieke dimensie van gesproken en geschreven taal. Read-in heeft als slogan: Onschuldig lezen bestaat niet! Door aan buren te vragen een leesgroep bij hen thuis te organiseren verwordt de vaak persoonlijke activiteit tot een gemeenschappelijke onderneming waarin de sociale en politieke kanten van lezen besproken kunnen worden. In Ivanova’s By Mutual Agreement speelt zij met een bekende van haar een raad- en discussiespel met een belangrijke spelregel: We mogen het niet oneens zijn met elkaar. Oftewel de constructie van gemeenschappelijkheid middels consensus.

De tentoonstelling Made in Commons is nog te zien tot en met 26 januari 2014, in Stedelijk Museum Bureau Amsterdam. Bij de tentoonstelling verschijnt ook een publicatie. Meer informatie zie hier.

Alle foto’s Gert-Jan van Rooij.

Uncategorized November 11th, 2013

Global Collaborations

At the beginning of this year, the Stedelijk Museum began its Global Collaborations project, a three-year program with exhibitions, presentations from the collection, lectures, symposia, a special Blikopeners, publications and an online platform here in the Journal of the Stedelijk Museum. With Global Collaborations, the Stedelijk Museum casts its eye to developments in visual art around the world, with a special focus on upcoming regions, including Africa, the Middle East and Southeast Asia.

A Broader Perspective

The Stedelijk Museum is not alone in its ambition to focus more attention on art from ‘other’ parts of the world. In the spring of 2012, the Guggenheim Museum in New York launched its ambitious UBS MAP Global Art Initiative, a multiyear project with the objective of charting and supporting a network of art, artists and curators in other parts of the world. Here too, the expansion of the traditional, Western-oriented perspective on art and art history is an important motivation. In collaboration with curators from South Asia, Southeast Asia, Latin America, the Middle East and North Africa, the Guggenheim is organizing traveling exhibitions and an extensive educational program in which art and culture from these regions can be brought to the attention of a wide audience. Works from the exhibitions will also be purchased for the Guggenheim collection.

Closer to home, in London, the Tate Modern is organizing similar programs in which more space is being made for non-Western art. In the symposium, What is a Postcolonial Exhibition?, which was organized by the SMBA, Tate Modern director Chris Dercon described the mission of the museum: ‘In our acquisitions policy, we work with so-called advisory committees that conduct extensive research into the local art scenes and local contexts. In addition, the Tate regularly invites local art institutes and initiatives to create exhibitions in London, thereby making a serious effort to break through the old imbalance between Western and non-Western art institutes.’

Dorothy Akpene Amenuke, How Far How Near, 2012. Tentoongesteld in Time, Trade, Travel, SMBA, najaar 2012

Both of these examples – just a small sample of a broad selection of exhibitions, symposia and publications that bear witness to a global turn in the art world – underscore the importance of a new and better balance between Western art institutes and their relation to non-Western art.

In order to conduct critical research into the relationships between globalization, contemporary art and the art world, Peter Weibel and Hans Beltin of the ZKM Center for Art and Media in Karlsruhe initiated the Global Art and the Museum project. By way of diverse activities, the GAM project investigates how a ‘borderless’ understanding of art inspires new museum practices in the West, what the impact is of a growing, shifting art market, and how museums relate to an increased diversity amongst their audiences.

Global Collaborations

Since the 1970s, Western museums − including the Stedelijk − have regularly shown art and artists from other parts of the world. They no longer consider the arts an exclusively Western concern. Nonetheless, the global art perspective that is seemingly being embraced by the art world and the art market has not easily been integrated into the DNA of the art museums − in their collections, for example. The argument is often as simple as, ‘This doesn’t fit in our collection.’

The search for new perspectives and new models is also the cornerstone for Global Collaborations. It requires a repositioning of the museum’s own collection and history, with the recognition that there is a pluriformity of developments and histories of art outside the Western art canon.

Global Collaborations − the title already says it − is based on collaboration and exchange, with both individuals and art institutes, in different parts of the world. Our first, intensive collaboration is with the KUNCI Cultural Studies Center in Yogyakarta, Indonesia, with the theme Made in Commons. This collaboration will initially result in two exhibitions, one in Amsterdam and one in Yogyakarta, a symposium and an extensive publication with essays and artist contributions in three languages.

Global Collaborations is a work-in-progress that will unfold in the course of the next three years, and in the process will be reflected in the programming of the Stedelijk Museum and the SMBA. In order to keep everyone informed about the progress of these collaborative projects, the backgrounds of the exhibitions and artists, and the research that is being carried out on behalf of this subject by the Stedelijk Museum, we will continue to focus attention on the project here, in the Global Collaborations Journal. A small team of writers from the Netherlands and elsewhere will regularly publish background information, interviews, essays, book reviews and reports about activities related to the program. This will create a growing and rich collection of texts and images.

 

Additional information

For more information about Global Collaborations, see http://www.stedelijk.nl/global-collaborations.

For a report on the symposium, What is a Postcolonial Exhibition?, see http://project1975.smba.nl/en/article/report-symposium-what-is-a-postcolonial-exhibition

Tags